Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.5

Procedureverloop bij sluiting van het pand (en bijbehorende erven)

Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Westervoort

In deze paragraaf staan de procedurele uitgangspunten beschreven die de burgemeester van de gemeente Westervoort in acht neemt bij het opleggen en toepassen van bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Proces sluiten (algemeen) Als een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, worden in beginsel de volgende stappen doorlopen: constatering handelshoeveelheid drugs/strafbare voorbereidingshandelingen; belangenafweging. Waarschuwing of voornemen tot sluiten kenbaar maken; mogelijkheid tot het geven van een zienswijze voor de belanghebbenden; sluitingsbevel motiveren en bekendmaken; intern sluiting voorbereiden; effectueren van de sluiting; nazorg. Politie neemt pand mee in de surveillance; heropening van het pand. Gelegenheid tot het geven van een zienswijze Volgens dit Damoclesbeleid geldt als procedureel uitgangspunt dat – behoudens spoedeisende gevallen (zie hierna) – de belanghebbende(n) in de gelegenheid wordt gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit gebeurt voordat het definitieve besluit tot sluiting wordt genomen. Er wordt daarom eerst een voornemen tot sluiting bekendgemaakt, waarin de aangeschreven belanghebbende(n) een korte termijn wordt geboden voor het indienen van een (bij voorkeur) schriftelijke zienswijze. Dit kan eventueel ook telefonisch (mondeling). Na afloop van de zienswijzeperiode en de belangenafweging naar aanleiding van de eventuele zienswijze(n), neemt de burgemeester een definitief besluit. Bekendmaking Als het volgende procedurele uitgangspunt geldt dat het besluit tot het opleggen van de last onder bestuursdwang bekend wordt gemaakt aan de overtreder en aan de rechthebbenden op (het gebruik van) het pand en/of het bijbehorende erf. Daarbij geldt volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de eigenaar van een pand in principe als overtreder in de zin van artikel 13b van de Opiumwet kan worden aangemerkt. Daarbij geldt wel dat hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat het pand als – kort gezegd – drugspand werd gebruikt. Van de eigenaar van een pand mag namelijk worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van dat pand wordt gemaakt. 12 ABRvS 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2770. Spoedeisende situaties Als zich een spoedeisende situatie voordoet of de openbare orde vraagt om direct ingrijpen, kan op grond van artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) een bevel tot sluiting worden gegeven. Dit bevel geldt voor een periode van ten hoogste twee weken. Artikel 4:11 van de Awb biedt de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen de zienswijzemogelijkheid achterwege te laten. Het bevel van de burgemeester kan mondeling worden bekendgemaakt en wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd. De spoedsluiting duurt voort (maximum twee weken) totdat de burgemeester een definitief besluit ten aanzien van het pand neemt. De burgemeester effectueert de sluiting via een overdracht van de sleutels (nadat de sloten vervangen zijn), verzegeling van het pand en het aanbrengen van een biljet met daarop de tekst dat dit drugspand op last van de burgemeester is gesloten. De spoedsluiting wordt in mindering gebracht op een eventuele tijdelijke sluiting van een woning of lokaal of een daarbij behorend erf. Van een spoedeisende situatie is in ieder geval sprake bij acuut gevaar voor de veiligheid of gezondheid van personen of voor de openbare orde of bij zich direct aandienende risico’s door of vanwege het criminele drugscircuit. Mede aan de hand van de indicatorenlijst wordt bepaald of men tot een spoedsluiting over moet gaan. Onder een bijzonder geval dat een spoedsluiting rechtvaardigt, wordt in ieder geval verstaan één of meerdere van de volgende situaties: het aantreffen van een vuur- of steekwapen of explosief in het pand; verkoop van drugs aan een minderjarige; het bezit van harddrugs door een minderjarige in het pand; aan het gebruik van het pand te relateren ernstige geweldsincidenten (waaronder geweld tegen een ambtenaar in functie) of ernstige incidenten waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid in het geding is; brand- of explosiegevaar; het (kunnen) vrijkomen van giftige stoffen of gassen. Het bovenstaande betreft geen limitatieve opsomming. Per geval wordt bepaald of, in lijn met de ernst van bovengenoemde situaties, sprake is van een dermate bijzondere situatie waarbij onmiddellijk optreden vereist is. Het enkel aantreffen van een handelshoeveelheid drugs of een hennepkwekerij, valt hier in ieder geval niet onder. Belangenafweging Als procedureel uitgangspunt geldt dat de burgemeester bij het nemen van zijn definitieve besluit (onder andere op basis van de zienswijze) alle relevante omstandigheden van het geval betrekt in zijn beoordeling. Zowel gebruikers als eigenaren hebben er belang bij dat een pand open blijft. Dit belang kan financieel zijn, er worden huurpenningen misgelopen, of het belang van het hebben van huisvesting, voortgang van bedrijfsactiviteiten, enzovoorts. Dit gegeven maakt handhavend optreden echter niet per se onredelijk. De wetgever heeft bewust woningen en lokaliteiten onder het regime van artikel 13b van de Opiumwet gebracht. Het is inherent aan deze keuze van de wetgever, dat dit grote gevolgen kan hebben voor de eigenaren, verhuurders en gebruikers. De aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs en de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid en daar veelal mee samenhangende openbare orde en veiligheid en de rechtsorde, zijn dermate ernstig dat herstel daarvan als algemeen belang zwaarder wordt geacht dan het individuele belang van een eigenaar, verhuurder of gebruiker. Daarbij is van belang dat een verhuurder kan kiezen aan wie hij een pand verhuurt en de gevolgen van die keuze voor zijn risico mogen worden gelaten. Een verhuurder kan zich voorts op de hoogte stellen van het gebruik dat van het verhuurde wordt gemaakt. Het risico dat een pand krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet wordt gesloten, als aan de in deze bepalingen gestelde vereisten is voldaan, is daarbij verbonden aan het verhuren van een pand. De (financiële) gevolgen van de toepassing van deze beleidsregels kunnen zwaar zijn voor eigenaren, verhuurders en gebruikers. Voor bewoners van een pand dat wordt gesloten is een dergelijke maatregel ook zeer ingrijpend. Echter, naast het feit dat eigenaren, verhuurders en gebruikers, indirect dan wel direct financieel voordeel hebben behaald uit de exploitatie van een hennepkwekerij en/of de handel in drugs, wordt de sluiting gerechtvaardigd door: de brede bekendheid van het nationale beleid en nationale wetgeving ten aanzien van verdovende middelen. Het produceren van drugs is verboden, softdrugs mogen enkel worden verkocht in gedoogde coffeeshops en handel in harddrugs is altijd verboden; de aard van de overtreding, namelijk een drugsgerelateerde criminele handeling met een bedrijfsmatig karakter, die bij of krachtens de Opiumwet strafbaar is gesteld; het geschonden algemeen belang, namelijk geen controle op de verkoop van soft- en harddrugs, met alle gevolgen en gevaren voor de volksgezondheid en bijkomende belangen zoals de verstoring van de openbare orde, veiligheid en rechtsorde, verloedering van het straatbeeld, aantasting van woon-, leef- en werkklimaat, onveiligheidsgevoelens in de straat/wijk, aantasting van de geloofwaardigheid van de overheid, het vergaren van illegale inkomsten en belastingontduiking, aanzuigende werking op het ontstaan van soortgelijke activiteiten, vermindering van de waarde van onroerend goed; de beoogde werking van de maatregel, namelijk het terugdringen van de door criminele handelingen veroorzaakte negatieve effecten, herstel van het woon-, leef- en werkklimaat en het terugdringen van recidive. Hetgeen hierboven is gesteld, wordt als uitgangspunt genomen. Per geval vindt echter een zorgvuldige afweging van alle feiten, omstandigheden en belangen plaats om te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een andere afweging noodzaken. Hierin speelt het zienswijzegesprek of de schriftelijk ingediende zienswijze een belangrijke rol. De burgemeester moet bezien of de omstandigheden op zichzelf dan wel samen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb. In deze beoordeling neemt hij ook de afweging mee dat het handelen overeenkomstig dit Damoclesbeleid gevolgen heeft die mogelijk onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, waardoor van het beleid zou moeten worden afgeweken. 13 ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840. Begunstigingstermijn/zelf voldoen aan last In het definitieve besluit tot oplegging van een last bestuursdwang staat een (korte) begunstigingstermijn. In de regel wordt een termijn van 72 uren voor woningen of het daarbij behorend erf gehanteerd. Voor lokalen en niet bewoonde-woningen of het daarbij behorend erf wordt een termijn van 24 uren gehanteerd. Binnen die termijn wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zelf uitvoering te geven aan de gelaste sluiting van de woning of lokaal of het daarbij bijbehorend erf. De belanghebbende krijgt de gelegenheid het pand af te sluiten en gesloten te houden en de sleutels van alle toegangen van het pand en/of het bijbehorende erf in te leveren bij de gemeente. Het feitelijk sluiten gebeurt in de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de gemeente die daartoe door de burgemeester is aangewezen. De sloten worden altijd vervangen. Hiermee wordt voorkomen dat sleutels in het bezit blijven van de belanghebbende. Deuren, ramen en andere toegangen worden (indien mogelijk) verzegeld. De sleutels behorende bij de nieuwe sloten worden na de sluitingsperiode teruggegeven. De begunstigingstermijn is ook bedoeld om de belanghebbende de gelegenheid te geven om vóór de sluiting van het pand en/of het bijbehorende erf de maatregelen te treffen die nodig zijn in verband met de sluitingsperiode. Voorbeeldmaatregelen zijn het verwijderen van persoonlijke spullen, de zorg voor aanwezige dieren, bederfelijke waren, het afsluiten van gas, water en elektra, etc. Effectueren bestuursdwang Als de begunstigingstermijn is verstreken en de gelaste sluiting niet of niet tijdig is uitgevoerd, dan geeft de burgemeester opdracht tot het door feitelijk handelen geheel of gedeeltelijk sluiten van de woning of lokaal of het daarbij behorende erf. In dat geval wordt het pand gesloten, onder andere door de vervanging van de sloten. Daarnaast worden de deuren en ramen en andere doorgangen die toegang (kunnen) verschaffen tot het pand en/of het bijbehorende erf verzegeld. Fysiek dichtmaken Als moet worden aangenomen dat de verzegeling niet voldoende is om de toegang tot het pand en/of het bijbehorende erf gedurende de sluitingsperiode te garanderen, behoort het fysiek dichtmaken (bijvoorbeeld door dichttimmeren) van de woning of lokaal of het daarbij behorende erf tot de mogelijkheden. Kennisgeving/kenbaarheid sluiting Als volgend uitgangspunt geldt dat zowel als de belanghebbende binnen de begunstigingstermijn zelf de sluiting effectueert, als wanneer dit gebeurt door (namens) de burgemeester, de sluiting kenbaar wordt gemaakt door het aanbrengen van borden/stickers/aankondigingen aan of binnen de woning of het lokaal of aan de toegang tot het bijbehorende erf. Op de borden/stickers/aankondigingen staat dat de woning of het lokaal of het daarbij behorende erf is gesloten op last van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De reden van deze openbare kennisgeving van de sluiting is dat publiekelijk bekend wordt gemaakt dat in de woning of lokaal of het daarbij behorende erf geen met de Opiumwet strijdige activiteiten meer plaatsvinden en dat actief wordt opgetreden tegen overtredingen van de Opiumwet. Hiermee beoogt de burgemeester van de gemeente Westervoort in het bijzonder te voorkomen dat in de woning of lokaal of op het daarbij behorende erf of in de omgeving daarvan opnieuw met de Opiumwet strijdige activiteiten worden ontplooid. 14 ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2906. Betreden gesloten verklaard pand strafbaar Het is op grond van artikel 2:41 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Westervoort verboden een woning of lokaal of daarbij behorend erf te betreden, waarvan de sluiting is bevolen. Daarnaast is het verbreken van een zegel op grond van artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar. Een op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning of lokaal of een daarbij behorend erf mag alleen worden betreden door personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. In de regel geeft de burgemeester van de gemeente Westervoort slechts toestemming/ontheffing bij een dringende of zwaarwichtige reden om de gesloten woning of het gesloten lokaal of een daarbij behorend erf tussentijds te betreden. Daarom zal de belanghebbende eerst schriftelijk en gemotiveerd moeten verzoeken om toestemming. Uit het verzoek moet blijken voor wie, met welk doel en voor welke duur betreding van de gesloten woning of lokaal of een daarbij behorend erf nodig is. De burgemeester kan voorschriften/of beperkingen aan de toestemming verbinden. Registratie van sluitingen en waarschuwing in registers De burgemeester is op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (WKBP) verplicht om binnen vier dagen na bekendmaking van het besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang, in het beperkingenregister in ieder geval aan te tekenen dat een woning of lokaal of een daarbij behorend erf is gesloten. Dit geldt niet voor een waarschuwing. De waarschuwing is immers geen besluit. Een eventuele opvolgende eigenaar/huurder/gebruiker zou daarom kunnen worden geconfronteerd met de gevolgen van een eerder afgegeven waarschuwing. Als de sluiting is opgeheven, wordt dit ook in het WKPB-register geregistreerd. Kostenverhaal Volgens artikel 5:25 van de Awb worden de kosten voor het toepassen van de bestuursdwang (hoofdelijk) op de overtreder(s) verhaald. De overtreder is op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb degene die de overtreding van de verbodsbepalingen waarop artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is, pleegt of medepleegt. Zoals in deze paragraaf toegelicht onder het kopje ‘Bekendmaking’ wordt de eigenaar van een woning of lokaal of een daarbij behorend erf in principe als overtreder als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet aangemerkt. Dit is alleen anders indien in voldoende mate is komen vast te staan dat de eigenaar alles heeft gedaan wat van hem uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid in redelijkheid verwacht mag worden om de overtreding te voorkomen en hem daarbij geen enkel verwijt valt te maken. In dat geval komen de kosten van bestuursdwang niet of niet geheel voor zijn rekening (artikel 5:25, eerste lid, van de Awb). De volgende kosten worden in principe, indien gemaakt, in rekening gebracht: vervangen van sloten; dierenopvang; afsluiten van nutsvoorzieningen. Dit is een opsomming van de meest voorkomende kosten die worden gemaakt en is geen limitatieve lijst. Rechtsbescherming Een besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet is een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat het mogelijk is om tegen het besluit bezwaar en (hoger) beroep in te stellen. Een bezwaar of (hoger) beroep heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat als er bezwaar of (hoger) beroep is ingesteld, het besluit kan worden uitgevoerd. Als belanghebbenden dit willen voorkomen, dan moeten zij daartoe een verzoek tot schorsing indienen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland/Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hoger beroep). Daarvoor is vereist dat een belanghebbende(n) een spoedeisend belang heeft en dat hij bezwaar of (hoger) beroep heeft ingesteld. Het enkel indienen van het verzoekschrift heeft ook geen schorsende werking. Pas als de voorzieningenrechter het verzoek tot schorsing honoreert moet de burgemeester wachten met uitvoering van het besluit tot oplegging van een last bestuursdwang, voor de werkingsduur van deze schorsing. Als de burgemeester eerst een waarschuwingsbrief stuurt, is geen sprake van een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen staat geen bezwaar en beroep open. 15 Volgens de conclusie van Widdershoven, ECLI:NL:RVS:2018:249, is een waarschuwing die twee jaar lang geldt, geen besluit in de zin van de Awb. Verzoek opheffing sluiting De sluitingsduur, zoals in de volgende hoofdstukken van dit Damoclesbeleid is bepaald, is afgestemd op de periode die noodzakelijk wordt geacht om de (sub)doelen van dit Damoclesbeleid te bereiken. Slechts als bijzondere omstandigheden aannemelijk maken dat in een concreet geval met het voortduren van de sluiting geen redelijk belang meer is gediend, is de burgemeester bevoegd om de sluiting tussentijds op te heffen. Een belanghebbende zal eerst een gemotiveerd verzoek moeten indienen. De burgemeester maakt van de bevoegdheid tot het tussentijds opheffen terughoudend gebruik. Daarin moet onder andere gemotiveerd aangegeven worden dat het op basis van nieuwe feiten en omstandigheden aannemelijk is dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de desbetreffende woning of lokaal of op een daarbij behorend erf zullen worden gepleegd. Kortom er moeten dus voldoende maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat in of vanuit de woning of lokaal of op het daarbij behorende erf opnieuw overtredingen plaatsvinden van de Opiumwet. Alleen als aannemelijk is dat er geen enkel redelijk doel meer met de sluiting is gediend, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, ernst en duur van de overtreding van de Opiumwet en daarnaast met de uitgangspunten van dit Damoclesbeleid, kan de burgemeester besluiten om de sluiting tussentijds op te heffen. Aan het opheffen van een sluiting wordt in de regel geen medewerking verleend, eerder dan de in onderstaande tabel genoemde periode: Sluitingsduur Verzoek opheffing na 4 weken Niet mogelijk 3 maanden 6 weken 6 maanden 3 maanden 12 maanden 6 maanden Onbepaalde tijd 12 maanden Voorts gelden de volgende eisen: de (nieuwe) eigenaar van het pand heeft geen overtreding van de Opiumwet begaan; de nieuwe huurder/gebruiker van het pand heeft geen overtreding van de Opiumwet begaan; de nieuwe huurder/gebruiker is een andere dan degene die ten tijde van de sluiting huurder/ gebruiker was; bij het verzoek moet een plan worden overgelegd, waaruit blijkt op welke wijze zal worden voorkomen dat er opnieuw een overtreding(en) van de Opiumwet plaatsvindt; als sprake is van een lokaal moet bij het verzoek een (ondernemings)plan worden overgelegd. Daaruit moet blijken welke invulling aan het gebruik van het lokaal wordt gegeven en op welke wijze voorkomen wordt dat opnieuw een overtreding(en) van de Opiumwet plaatsvindt. Het voorgenomen gebruik moet in overeenstemming zijn met het geldende bestemmingsplan. Het besluit op een verzoek tot opheffing wordt op schrift gesteld. Dit besluit is vatbaar voor bezwaar en beroep.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel