Culturele activiteiten worden op verschillende locaties in de gemeente en haar kernen georganiseerd. Om deze activiteiten mogelijk te maken verstrekken wij subsidies en hebben wij een aantal culturele panden in eigendom. Dit zijn onder andere de Bibliotheekvestigingen, Castellum, Max, The Cube en de Oude Raadhuizen in Alphen en Boskoop. Ook binnen de MFA’s vinden culturele activiteiten plaats. Parkvilla is geen gemeentelijk eigendom. Wel wordt dit pand ingezet voor kunst- en cultuureducatie en ontvangt de stichting Parkvilla subsidie voor haar culturele educatie-activiteiten.
Het subsidiëren van culturele activiteiten is noodzakelijk om deze zo cruciale sector te laten blijven bestaan. Om draagvlak voor een stevige basis te ont- wikkelen is het belangrijk een transparant en gelijkwaardig inzicht te hebben. Alle basisvoorzieningen hebben tenslotte op hoofdlijnen dezelfde soort kosten.
In de toekomst willen wij de kosten transparanter en vooral gelijkwaardig kunnen toetsen. Vaak is nu niet precies helder wat aan welk onderdeel besteed wordt, met andere woorden; hoeveel de basisvoorziening (waaronder huisvesting) kost, welk deel daadwerkelijk naar de beoogde kernactiviteiten gaat en welke activiteiten er nog meer van (moeten) worden bekostigd. Op basis van deze inzichten kunnen inhoudelijke keuzes beter gemaakt worden.
Het financieringsmodel draait om het meten van de waarde van de activiteiten tegenover de kosten en opbrengsten van deze activiteiten. Dit vraagt om de volgende inzichten:
Inzicht in de culturele subsidies naar wie en waarvoor
Inzicht in kosten en huuropbrengsten van de gemeentelijke culturele pan- den (structureel en incidenteel)
Inzicht in de kosten van de basisvoorziening per culturele organisatie
Inzicht in de activiteitensubsidie per culturele organisatie
Inzicht in de eventuele extra activiteiten en bijbehorende inkomsten per culturele organisatie
De punten 1 en 2 komen uit de gemeentelijke financiële gegevens. De punten 3 t/m 5 bepalen mede hoeveel een organisatie naast de eigen middelen en in- komsten aan subsidie nodig heeft. Deze punten worden duidelijk uit de subsidieaanvragen die ingediend wordt.
Om te komen tot een financiële vergelijking op hoofdlijnen gaan wij gebruik maken van een financieringsmodel dat gebaseerd is op het iglomodel, zoals ontwikkeld door adviesbureau Berenschot. In meerdere gemeenten wordt dit model, of een afgeleide daarvan, gebruikt voor het vaststellen van de culturele subsidies.
In het kort werkt dit als volgt:
In eerste instantie wordt gekeken wat de kosten van de basisvoorziening zijn. Dit zijn alle kosten, die een organisatie heeft om klaar te kunnen staan voor het uitvoeren van één ‘culturele’ activiteit. Onder deze kosten vallen alle huisvestingskosten incl. leveringscontracten, ICT, beheerskosten en kosten voor de benodigde kennis om een voorziening te laten functioneren. Dit zijn niet beïnvloedbare kosten en nodig om de voorziening operationeel te hebben.
Om vervolgens activiteiten te organiseren heeft de organisatie inkomsten nodig. Deze komen van deelnemers of bezoekers en subsidies of fondsen. Meestal worden deze toegekend als zogenaamde activiteitensubsidie.
Tot slot kan een organisatie ook andere (commerciële) activiteiten organiseren om te zorgen dat er minder activiteitensubsidie nodig is. Denk hierbij aan commerciële verhuur/horeca etc.
Dit model wordt samen met aangepaste subsidievoorwaarden binnen kunst- en cultuur geïntroduceerd. Stap voor stap zullen wij de basisvoorzieningen vragen hun subsidieaanvraag, dus ook het deel van de begroting waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, op deze manier in te richten. Wij streven naar een volledige omslag met de subsidieaanvraag voor 2023. Uit de financiële paragraaf in deze visie wordt duidelijk dat de subsidiemiddelen schaars blijven. Er is weinig ruimte voor het uitbreiden van het aanbod. Heldere inzichten helpen bij het inzetten van de juiste middelen voor het juiste doel.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.6
Introductie van een financieringsmodel
Onderdeel van Kunst- en cultuurvisie gemeente Alphen aan den Rijn 2021-2030