Artikel 19 van het RVV bepaalt dat voor hulpdiensten (zoals Brandweer, Ambulance en Politie) geldt dat bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. Dit geldt indien dit voorrangsvoertuig de optische- en geluidssignalen voert. In dit kader zijn deze voertuigen vrijgesteld van de bepalingen van het RVV 1990.
Tevens geldt de vrijstelling voor bedrijven met een Ministeriële ontheffing, waarin geldt dat er vrijstelling wordt verleend voor: art. 3 Eerste lid 4:10:23, eerste lid, aanhef en de onderdelen a, b en f, 25, eerste lid, 43, derde lid, voor zover het betreft het tot stilstand brengen van een voertuig op de vluchtstrook, de vluchthaven of in de berm: 62, voor zover het betreft de verkeerstekens op de borden: C1, C2, C4, C6, C7, C8, C9, C10, C12, C16, C17, C18, C19, D2, D4, D5, D6, D7, E1, E2, E5, E7, E8, ES5, ES7, F7, F13, F15, F17, F19, G7, G9, G11, G12a, G13, L14, 73. Aanhef en onderdelen b (alleen indien in het afgekruiste wegvak werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd) en d: 76, 77, eerste lid, 81.
Artikel 4.
Vrijstelling
Onderdeel van Regeling ontheffingen geslotenverklaring Viansense Poort en Prijsseweg Culemborg