De beheerder kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verbod en aanvullende bepalingen uit artikel 3 tevens gelden voor alle bestaande bouwwerken en bestaande verharde oppervlakken op een perceel. Bij het vaststellen van een dergelijke gebiedsaanwijzing geldt het volgende:
De beheerder houdt rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen;
De beheerder kan gemotiveerd afwijken van het bepaalde in artikel 3;
De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 3e dag na de dag waarop zij bekend is gemaakt;
De gebiedsaanwijzing bevat een termijn waarop aan de aanwijzing moet worden voldaan. Deze termijn bedraagt tenminste 6 weken;
Op de voorbereiding en vaststelling van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.