Het verbod, bedoeld in artikel 3 lid 1 van deze verordening, geldt niet voor dat deel van de hoeveelheid te verwerken hemelwater dat, als gevolg van extreme neerslag, uitkomt boven:
de hoeveelheid zoals bepaald in art 3 lid 2a van deze verordening; of
de voor het betreffende perceel hiervan afwijkende hoeveelheid, zoals volgt uit de bepalingen in artikel 5, een vastgestelde gebiedsaanwijzing conform artikel 4, of een verleende ontheffing conform artikel 3 lid 3 van deze verordening.
De in het eerste lid bedoelde overtollige, extreme neerslag dient oppervlakkig geloosd te worden;
Afwijken van het bepaalde in lid 2, door te lozen middels een ondergrondse verbinding tussen de hemelwatervoorzieningen op eigen terrein en de openbare riolering of openbare ruimte, is alleen toegestaan na afstemming en met instemming van de beheerder.