De gezagvoerder is verplicht er voor te zorgen, dat de landvasten van zijn beroepsvaartuig zodanig zijn aangebracht, dat aan andere beroepsvaartuigen geen hinder wordt veroorzaakt.
De gezagvoerder is verplicht er voor te zorgen, dat zijn beroepsvaartuig, zolang het een ligplaats inneemt, behoorlijk is vastgemaakt.
Het vastmaken mag niet anders geschieden dan aan de daartoe bestemde middelen of aan de beroepsvaartuigen, welke aan zodanige middelen zijn vastgemaakt.
Het is verboden met een beroepsvaartuig een andere ligplaats in te nemen, dan welke door de havenmeester is aangewezen of toegelaten.
De aanwijzing of toelating van een ligplaats ontheft de gezagsvoerder niet van zijn verplichting zich er van te overtuigen, dat die plaats voor zijn beroepsvaartuig veilig is.
Hoofdstuk III.
Artikel 6
Meervoorschriften.
Onderdeel van Regeling gebruik aanlegplaatsen binnenvaartschepen Geertruidenberg 2010