a. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
b. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als
a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
b. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is;
c. de exploitant en leidinggevende(n):
i. niet 21 jaar of ouder zijn;
ii. onder curatele staat, dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn;
iii. in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
iv. binnen 5 jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest.
d. het nodig wordt geacht in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
c. De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf
Artikel 2:28B Weigeringsgronden
Artikel 2:28B Weigeringsgronden
Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING GEERTRUIDENBERG 2021