Het college heeft een grote mate van beleidsvrijheid bij het bepalen van de hoogte van de dwangsommen. De hoogte van een dwangsom wordt door de rechter terughoudend getoetst. De dwangsom moet op de ernst van de overtreding zijn afgestemd (evenredigheid) en tot doel hebben de overtreding tegen te gaan (effectiviteit).
De dwangsom kan worden vastgesteld in een vorm van een bedrag ineens, een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd of een bedrag per overtreding van een last.
In het kader van het bevorderen van de naleving door Wmo-zorgaanbieders wordt in beginsel gekozen voor een dwangsom in de vorm van een bedrag ineens, oftewel een eenmalige dwangsom. Ervaring op andere gebieden leert dat de hoogte van een eenmalige dwangsom reden is voor het eerder beëindigen van de overtreding. Een eenmalige dwangsom geeft dus de beste kans op een spoedig herstel van voldoende kwaliteit van ondersteuning aan inwoners. Tevens geeft een eenmalige dwangsom de minste administratieve lasten voor de gemeente.
Afhankelijk van de ernst van de situatie wordt de hoogte van de dwangsom als volgt vastgesteld:
Ernst van de situatie is klein: € 2.500,-
Ernst van de situatie is gemiddeld: € 5.000,-
Ernst van de situatie is groot: € 7.500,-
Mocht er sprake zijn van een herhaalde of voortdurende overtreding dan zal in beginsel voor situaties waarin de ernst van de situatie groot of gemiddeld is het type maatregel opgeschaald worden naar een categorie 1 maatregel. Dit betreft een ontbinding van de overeenkomst na een ingebrekestelling. Bij een herhaalde of voortdurende overtreding in een situatie waarbij de ernst van de situatie klein is, kan het college besluiten opnieuw een last onder dwangsom op te leggen. De hoogte van de dwangsom wordt voor de tweede en elke volgende dwangsom verdubbeld, zolang er sprake is van dezelfde overtreding.