Naar hoofdinhoud
Aflossing van de lening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. Het jaarbedrag van de aflossing wordt telkens voor een paar vastgesteld. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van die wet, wordt geen aflossing gevergd. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, stelt het college – zo nodig tussentijds – de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in artikel 18.5 van deze beleidsregels wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de belanghebbende komende bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. Indien de belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen aan de gestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening direct opeisbaar en is daarover tevens wettelijke rente verschuldigd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel