Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1 intrekken indien:
de houder van die vergunning niet binnen één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot de activiteit waarvoor de vergunning is verleend;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;
niet wordt voldaan aan de bij de vergunning gestelde voorwaarden en voorschriften;
een of meerdere van de weigerings- en intrekkingsgronden van bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur van toepassing zijn.
Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid onder d, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3
Artikel 3.3.4
Intrekken vergunning
Onderdeel van Huisvestingsverordening Purmerend 2021