Voor aanvragen om omgevingsvergunning voor de huisvesting van studenten of tijdelijke arbeidsmigranten geldt als toetsingskader zowel het onderhavige Afwijkingenbeleid als de “Beleidsvisie huisvesting studenten en tijdelijke arbeidsmigranten”.
Besluitvorming inzake aanvragen om omgevingsvergunning of bestemmingsplanherziening voor de bijzondere woonvormen genoemd in onderhavig hoofdstuk vindt plaats op basis van het tijdstip dat er sprake is van een ontvankelijke aanvraag.
Voorafgaande aan de indiening van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een van de in dit hoofdstuk geregeld bijzondere woonvormen, met uitzondering van die genoemd in de artikelen 9.6 en 9.7, dient door de aanvrager met de rechthebbenden van de in de directe omgeving gelegen percelen een participatietraject te zijn doorlopen gericht op het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak; de aanvrager dient aan te geven hoe aan de participatie vorm is gegeven en wat er met het resultaat is gedaan.
Er dient een minimale afstand van 100 meter te worden aangehouden, gemeten vanaf de dichtstbijzijnde delen van de gevels van de hoofdgebouwen of van de daarmee fysiek verbonden bijbehorende bouwwerken, tussen de rechtmatig aanwezige bijzondere woonvormen genoemd in de artikelen 9.2 en 9.8.
Behalve in geval van (reguliere) woningen, dient bij alle aanvragen inzake het verkrijgen van planologische toestemming voor huisvesting van studenten of tijdelijke arbeidsmigranten door de aanvrager een bewijs te worden overgelegd, waarin afspraken met een afvalinzamelaar zijn vastgelegd over de afvalinzameling afkomstig van de huisvestingsaccommodatie.
In geval van arbeidsmigrantenhuisvesting zoals bedoeld in de artikelen 9.3, 9.4 en 9.5 geldt dat er per persoon per slaapvertrek een minimale vloeroppervlakte van 5,5 m² aanwezig moet zijn. Voorts geldt het uitgangspunt van in beginsel één persoon per slaapvertrek. Indien dit vanuit de arbeidsmigranten gewenst is, is het mogelijk om twee personen per slaapvertrek te huisvesten. Voorts geldt er een minimale gebruiksoppervlakte wonen (GBO) van 15 m² per persoon (dit is inclusief de genoemde 5,5 m² van het slaapvertrek).
Geen omgevingsvergunning wordt verleend voor de huisvesting van de in dit hoofdstuk genoemde bijzondere woonvormen in nieuw te bouwen reguliere woningen of bestaande reguliere woningen waarvan de bouw korter dan twee jaar geleden gereed is gemeld.
Geen omgevingsvergunning wordt verleend voor aanvragen om omgevingsvergunning voor de huisvesting van studenten en tijdelijke arbeidsmigranten die vallen binnen het gebied zoals weergegeven in bijlage II van het Afwijkingenbeleid.
Geen omgevingsvergunning wordt verleend voor huisvesting in niet direct met de woning verbonden bijbehorende bouwwerken in de gevallen zoals bedoeld in de artikelen 9.2, 9.5, 9.6 en 9.8.
In geval van een bijzondere woonvorm zoals bedoeld in de artikelen 9.2, 9.5, 9.6 en 9.8 dient het uiterlijk van de woning onveranderd te blijven.
Met uitzondering van de bijzondere woonvormen genoemd in de artikelen 9.6 en 9.7 dient er bij de aanvraag om omgevingsvergunning een beheersplan te worden overgelegd dat door de gemeente dient te zijn goedgekeurd alvorens vergunning kan worden verleend. Het beheersplan bevat in ieder geval regels inzake: veiligheid, ter voorkoming van overlast naar de omgeving, een boetesysteem inhoudende dat de overlastgever een boete is verschuldigd aan de eigenaar/verhuurder van de woning, roken, alcohol en drugsgebruik, wie het aanspreekpunt is in geval van calamiteiten en hoe deze persoon te bereiken is, het bevat informatie met belangrijke (alarm)nummers en een ontruimingsplan. In geval er sprake is van de huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten is het ontruimingsplan zowel in het Nederlands als in de landstaal van de arbeidsmigranten opgesteld. In geval onderhavig lid van toepassing is, dient het daar genoemde aanspreekpunt 24 uur per dag (telefonisch) beschikbaar te zijn voor het geval zich calamiteiten voordoen.
Er worden alleen omgevingsvergunningen voor bepaalde tijd verleend met een maximale termijn van tien jaar, tenzij anders bepaald en met uitzondering van de bijzondere woonvormen genoemd in de artikelen 9.3, 9.4, 9.5 en 9.6.
Na afloop van de termijn waarvoor omgevingsvergunning is verleend, zal gedurende vijf jaar geen nieuwe vergunning worden verleend teneinde een bijzondere woonvorm in de betreffende reguliere woning mogelijk te maken.
Indien omgevingsvergunning is verleend voor minder personen dan maximaal in de reguliere woning zijn toegestaan op basis van onderhavige beleidsregels, kan een omgevingsvergunning worden gevraagd en verkregen voor het maximaal aantal toegestane personen, waarbij de ingangsdatum van de laatste omgevingsvergunning gelijk zal zijn aan de ingangsdatum van de eerdere omgevingsvergunning.
Bij een bestemmingsplanherziening gedurende de looptijd van de vergunning wordt de bestemming in het herziene bestemmingsplan niet in overeenstemming gebracht met de vergunde situatie met uitzondering van de categorie bijzondere woonvormen genoemd in artikel 9.3, indien er sprake is van een vergunning voor onbepaalde tijd.
Een aanvraag voor huisvesting van studenten en/of tijdelijke arbeidsmigranten, met uitzondering van huisvesting in reguliere woningen, wordt getoetst aan de voorschriften zoals is opgenomen in bijlage III van het ruimtelijke beleid.
Als voorschriften worden aan alle omgevingsvergunningen genoemd in hoofdstuk 9 in ieder geval de in Bijlage IV – voor zover deze op de aanvraag van toepassing zijn – opgenomen voorschriften verbonden.