**1..** Het begrotingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
**2..** Het bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.
**3..** Het bestuur maakt elk jaar vóór 15 april de ontwerp-begroting op voor het volgende dienstjaar en zendt deze, vergezeld van een toelichting, toe aan de leden van het bestuur en aan de raden van de deelnemende gemeenten.
**4..** De raden van de deelnemende gemeenten kunnen hun zienswijze op de ontwerp-begroting vóór 15 juni bij het bestuur indienen.
**5..** Het bestuur stelt de begroting vast uiterlijk 1 juli van het jaar, voorafgaand aan dat waarvoor de begroting moet dienen.
**6..** Terstond na de vaststelling wordt daarvan mededeling gedaan aan de raden van de deelnemende gemeenten. Indien de vastgestelde begroting afwijkt van de ontwerp-begroting wordt deze eveneens ter kennis van de raden van de deelnemende gemeenten gebracht die terzake Gedeputeerde Staten van hun gevoelen kunnen doen blijken.
**7..** Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.
**8..** De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de Wgr niet is afgeweken.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 20
Artikel 20
Onderdeel van GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING “PARTICIPATIEBEDRIJF KEMPENPLUS”