Naar hoofdinhoud

Artikel 9.

Verschuldigdheid

Onderdeel van Verordening Binnenhavengeld Pleziervaart 2022

1.. Binnenhavengeld Pleziervaart is verschuldigd bij aanvang van het belastingjaar of zodra het gebruik of genot, genoemd in artikel 2, begint. 2.. Voor zover Binnenhavengeld Pleziervaart wordt geheven naar een jaartarief, geldt de verschuldigdheid, ongeacht het moment van aanvang van het gebruik of genot in het jaar, voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van het jaar waarin het gebruik of genot aanvangt. 3.. In afwijking van het tweede lid is bij de aanschaf van een vaartuig Binnenhavengeld Pleziervaart verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.. In afwijking van het tweede lid bestaat bij de verkoop van een vaartuig aanspraak op ontheffing van Binnenhavengeld Pleziervaart voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 5.. Het derde en vierde lid is niet van toepassing indien het vaartuig binnen twaalf maanden wordt verkocht aan de oorspronkelijke belastingplichtige als bedoeld in artikel 3. In dat geval is van een heffing naar periodiciteit van het gebruik of genot geen sprake. 6.. Het voor een vaartuig na aangifte verkregen jaarvignet of doorvaartvignet is vaartuig gebonden en kan niet worden overdragen van vaartuig naar vaartuig.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel