Het college toetst onverminderd artikel 2 lid 10 Boetebesluit aan het evenredigheidsbeginsel bij het opleggen van boetes in het kader van het sociaal zekerheidsrecht (artikel 5:46 tweede lid Algemene wet bestuursrecht). Bij de beoordeling van een op te leggen boete moet gekeken worden hoe die (hoogte van) op te leggen boete zich verhoudt tot:
De aard van de boetewaardige gedraging;
De omstandigheden waarin belanghebbende verkeerde ten tijde van de gedraging;
De persoon van de belanghebbende en de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert bij de beoordeling van de boete;
De mate van verwijtbaarheid van de boetewaardige gedraging.
Tot slot zijn de omstandigheden ten tijde van de beoordeling van de boete, alsmede de persoon van de belanghebbende van belang. Hierbij kunnen omstandigheden meespelen zoals, maar niet uitsluitend: schuldenproblematiek (de aard hiervan, de oorzaak, de inzet van belanghebbende hieromtrent en de gevolgen hiervan), eventuele spijtbetuigingen (inzichten van belanghebbenden) die mogelijk in handelen zijn terug te zien, aflossing van de vordering (indien mogelijk) en toekomstperspectief met het oog op de verlening van bijstand.
Artikel 1
- evenredigheid
Onderdeel van Beleidsregels Bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW/IOAZ 2022