Indien de dienstverlening wordt uitgevoerd door een derde partij, dan stelt het college een redelijk budget ter beschikking voor de te leveren ondersteuning. Dit zorgt voor een goede verhouding tussen de prijs van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening.
Bij de vaststelling van het budget voor het leveren van een dienst houdt het college tenminste rekening met de kosten verbonden aan:
de kosten van de beroepskracht;
redelijke overheadkosten;
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;
reis- en opleidingskosten;
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;
overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen;
de afspraken die voortkomen uit het voldoen aan de Code Verantwoordelijk Marktgedrag en de regels voor een reële prijs.
Het college bepaalt, voorafgaande aan de start van het inkopen van de dienst, of:
een minimum prijs gehanteerd wordt die voldoet aan wat er staat in lid 2 van dit artikel;
een vaste prijs gehanteerd wordt die voldoet aan wat er staat in lid 2 van dit artikel;
het de aanbieder vrij laat een prijs neer te leggen die voldoet aan wat er staat in lid 2 van dit artikel.
Het college kan de uiteindelijke, over een kalenderjaar te betalen, vergoeding aan een aanbieder van dienstverlening verlagen als de aanbieder onvoldoende heeft gepresteerd of de normen zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.10 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) heeft overschreden.
Het college kan Nadere regels opstellen voor de invulling van dit artikel en de wijze waarop deze worden gewogen.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2
Budget voor aanbieders van dienstverlening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2022