De meest voorkomende vormen zijn een garage, carport en een opstelplaats nabij een gebouw. Om deze te kunnen bereiken is een aansluiting op de openbare weg nodig: een inrit. Hiervoor is een “omgevingsvergunning voor een inrit” van de gemeente nodig. Na ontvangst van de vergunningaanvraag wordt allereerst onderzocht of het bestemmingsplan parkeergelegenheid toestaat en of de afmeting van de parkeergelegenheid voldoende is voor het parkeren van een voertuig. Daarnaast zijn in de Algemene Plaatselijke Verordening (artikel 2.1.5.3) onderstaande weigeringsgronden opgenomen:
Een vergunning kan worden geweigerd indien door het realiseren ervan:
Gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het wegverkeer ter plaatse;
Het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt;
De groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad;
Het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt geschaad of dreigt te worden geschaad;
De cultuurhistorische waarden van een beschermd monument of beschermd dorpsgezicht onherroepelijk en/of onaanvaardbaar worden aangetast.
Een aangevraagde inritvergunning bij een beschermd monument, in een beschermd dorpsgezicht of als cultuurhistorische waarden aantast worden, wordt niet getoetst door de monumentencommissie. Extra terughoudendheid met het verlenen van een uitritvergunning is dan geboden.
Aanvraag voor inrit in relatie tot parkeerdruk en wens om te vergroenen
De aanleg van een inrit kan ten koste gaan van één of meer openbare parkeerplaatsen. In die situatie leidt de aanleg van de inrit tot hogere parkeerdruk, wat onwenselijk is als de parkeerdruk hoog is (hoger dan 85%). De parkeerdruk wordt daarom meegewogen in de afweging. Verder is het onwenselijk dat het verhard oppervlak toeneemt door het verlenen van een inritvergunning, dus ook dit aspect wordt meegewogen bij een aanvraag.
In stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein
Soms is het niet meer mogelijk is om van een parkeerplaats op eigen terrein gebruik te maken, bijvoorbeeld doordat een garage is omgebouwd tot woongedeelte. Als er sprake is van een instandhoudingsverplichting, dan kan de eigenaar worden aangeschreven met de mogelijkheid om binnen een bepaalde termijn weer een parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Als hij dit niet doet, kan de vergunning worden ingetrokken en de inrit verwijderd. Aangezien het lastig zal zijn om de kosten van het verwijderen van de inrit bij de eigenaar te verhalen, is het logisch dit alleen te doen bij een herinrichting of wanneer de parkeerdruk ter plaatse erg hoog is.
Parkeren voor een inrit
Parkeren voor een inrit is verboden. Aan individuele personen kan een ontheffing worden verleend om voor de eigen inrit te parkeren. Dit levert in theorie extra parkeergelegenheid op, omdat het dan mogelijk is om één voertuig op de inrit en één voor de inrit te parkeren. Het kan echter niet worden verplicht om ook daadwerkelijk gebruik te maken van deze ontheffing. De bewoner mag zijn voertuig ook elders in de straat parkeren waardoor de theoretische winst niet altijd in de praktijk wordt behaald. Dit kan worden ondervangen door bij het verlenen van de ontheffing de voorwaarde op te nemen dat er alleen voor de inrit geparkeerd mag worden als er een voertuig op de inrit geparkeerd staat. Dit zal dan gelden voor alle nieuwe verleende ontheffingen.
Parkeernota 2004:
Beleid op basis van de APV 2020
Reden wijziging:
In de praktijk blijkt dat het algemeen belang (de parkeerdruk in de straat) onvoldoende wordt meegewogen. Ook blijkt een inrit vaak ten koste te gaan van een groene tuin en te leiden tot extra verhard oppervlak.
Nieuw parkeerbeleid:
Terughoudendheid bij het beoordelen en verlenen van inritvergunningen voor bestaande panden. Dus: nee tenzij.
Hoofdstuk 7 › Paragraaf 7.2
Artikel 7.2.3
Parkeren op eigen terrein, inritten
Onderdeel van Parkeernota 2021 Gemeente Oegstgeest