1. In beginsel wordt het advies van de hondengedragsdeskundige die het risico-assessment heeft
afgenomen opgevolgd.
2. Indien opvolging van het advies zou inhouden dat de hond aan de eigenaar of de houder
teruggegeven wordt, maar er concrete aanwijzingen zijn waaruit afgeleid kan worden dat dit
een onacceptabele onrust veroorzaakt in de directe omgeving van het verblijfadres van de
houder of eigenaar, wordt het advies niet opgevolgd.
3. Als de gevaarlijke hond veelvuldig op een ander adres verblijft dan op het verblijfadres van de
eigenaar of de houder, dan geldt het tweede lid ook ten aanzien van de directe omgeving van
dat andere adres.
4. De teruggave van een gevaarlijke hond verandert niet dat de hond als gevaarlijk wordt
beschouwd.
5. Een gevaarlijke hond wordt uitsluitend weggegeven:
a. als uit het risico-assessment is gebleken dat het gedrag van de hond nog ten
goede is bij te stellen en
b. aan een ander die zelf aantoonbaar bekwaam is om de bijstelling in het gedrag te
bewerkstelligen.
6. De persoon uit het vijfde lid aanhef en onderdeel b krijgt een aanlijn- en muilkorfgebod
opgelegd.
7. Een gevaarlijke hond die niet teruggegeven kan worden en die niet herplaatst kan worden
onder de criteria uit het vijfde lid wordt geëuthanaseerd.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.4
Teruggeven, weggeven, euthanaseren
Onderdeel van Beleidsregels hinderlijke en gevaarlijke honden gemeente Goirle