Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 12

Woonkostentoeslag

Onderdeel van Beleidsregels Bijzondere bijstand 2021 III ´s-Hertogenbosch

Woonkostentoeslag voor een huurwoning, gehuurde woonwagen of gehuurde woonboot: Indien belanghebbende een woning bewoont, die hem recht geeft op huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen aanspraak kan maken op deze toeslag, wordt een woonkostentoeslag verstrekt tot de datum waarop belanghebbende wel in aanmerking komt voor huurtoeslag. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag voor de woonkosten per maand zou ontvangen. Woonkostentoeslag voor een woning in eigendom: Indien belanghebbende een woning bezit, waar hij in woont, waarvan alleen het feit dat het een woning in eigendom is een belemmering vormt voor toekenning van huurtoeslag wordt een woonkostentoeslag verstrekt. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende op grond van de Wet op de huurtoeslag gelet op zijn financiële situatie voor de woonkosten per maand zou ontvangen. Woonkostentoeslag voor woonkosten boven de maximale huurprijs: Voor woonkosten boven de maximale huurprijs zoals omschreven in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag wanneer belanghebbende een woning in huur of eigendom bewoont, wordt een woonkostentoeslag verstrekt welke in overeenstemming met artikel 12 lid 1 onder b van deze beleidsregels is berekend, met dien verstande, dat de woonkosten die uitgaan boven de maximale rekenhuur volledig voor woonkostentoeslag in aanmerking komen. De woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de datum waarop de belanghebbende wel aanspraak kan maken op huurtoeslag en, als huurtoeslag niet aan de orde is, voor de periode van maximaal één jaar. Deze periode van één jaar kan op aanvraag verlengd worden indien bijzondere omstandigheden daartoe noodzaken. De aantoonplicht ligt hierbij bij belanghebbende. Aan de woonkostentoeslag zoals beschreven in het derde lid wordt met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting verbonden dat belanghebbende zo spoedig mogelijk verhuist naar een goedkopere woning, waarvoor geen aanspraak meer gedaan hoeft te worden op woonkostentoeslag, dan wel, indien de woning een eigen woning betreft, de woning zo spoedig mogelijk te koop aanbiedt, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten, zodat geen aanspraak meer gedaan hoeft te worden op woonkostentoeslag. De verhuisplicht als bedoeld in het vijfde lid wordt niet opgelegd aan: belanghebbenden, als sprake is van een huur boven de maximale huurprijs en deze hoge huur veroorzaakt wordt door voorzieningen die in de woning aangebracht zijn vanwege de handicap van de huurder, van diens partner of van een medebewoner; belanghebbenden vanaf de gepensioneerde leeftijd, als een goedkoper redelijk woonalternatief, gelet op medische en sociale omstandigheden, niet voorhanden is; belanghebbenden wiens huishouden bestaat uit 8 personen of meer en waarbij de woning geschikt en bestemd is voor de huisvesting van tenminste 8 personen. Als de belanghebbende naar vermogen getracht heeft goedkopere woonruimte te vinden, maar dit niet gelukt is, dan wordt de woonkostentoeslag met maximaal één jaar verlengd.

Rechtspraak bij dit artikel