Indien er sprake is van vermogen boven de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de wet minus de van toepassing zijnde bijstandsnorm van één maand, bestaat er geen recht op bijzondere bijstand.
Het vermogen in de woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel d van de wet wordt niet in aanmerking genomen. Bij het vaststellen van de draagkracht wordt rekening gehouden met eventuele lagere woonlasten. Bij het bepalen of er sprake is van lagere woonlasten, wordt uitgegaan van de basisnorm voor huurlasten. Het meerdere wordt als draagkracht aangemerkt.
Voor kinderopvangkosten gelden de rekenregels van de Wet Kinderopvang.
De tegemoetkoming die gedupeerden van de toeslagenaffaire hebben ontvangen op grond van artikel 49 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en die op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel p, van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ worden vrijgelaten, wordt niet gerekend tot het inkomen en vermogen van de aanvrager op grond van artikel 31 lid 2 Participatiewet bij de uitvoering van de bijzondere bijstand (inclusief de Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag) in het jaar waarin deze tegemoetkoming is ontvangen. De vrijstelling voor vermogen geldt ook voor de jaren 2022 tot en met 2025 voor zover de tegemoetkoming voor gedupeerden van de toeslagenaffaire nog niet is besteed door de belanghebbende, gedupeerde c.q. aanvrager van bijzondere bijstand. Het aankopen van beleggingsproducten en crypto’s wordt als een besteding aangemerkt. Alle inkomsten verkregen uit de tegemoetkoming die gedupeerden van de toeslagaffaire hebben ontvangen worden wel beschouwd als middelen bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 2.
Artikel 5
Het vermogen
Onderdeel van Beleidsregels Bijzondere bijstand 2021 III ´s-Hertogenbosch