Naar hoofdinhoud
1.. Voor 1 april van het jaar volgend op het subsidiejaar dient de houder een aanvraag tot subsidievaststelling in. 2.. Voor de aanvraag tot subsidievaststelling dient gebruik gemaakt te worden van het door het college vastgestelde vaststellingsformulier. 3.. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van het gemiddelde aantal bezette reguliere en VE-peuterplaatsen. 4.. Voor de vaststelling van de subsidie registreert de houder de volgende gegevens: het aantal bezette reguliere peuterplaatsen per elke 1e van de maand; het aantal bezette VE-peuterplaatsen, uitgesplitst naar met en zonder kinderopvangtoeslag per elke 1e van de maand; het aantal peuters met een VE-indicatie dat gebruik maakte van een kinderdagverblijf met VE-registratie, waarbij van elke peuter het aantal dagdelen en de gebruiksperiode wordt vermeld; de verdeling van reguliere en VE-peuterplaatsen over de groepen/locaties; de werkelijk ontvangen ouderbijdragen, voor reguliere en VE-peuterplaatsen apart; en mits van toepassing, verantwoording over de inzet van de VE-beleidsmedewerker en de pedagoog. 5.. De verantwoording dient vergezeld te gaan van een door een accountant goedgekeurde jaarrekening. Deze dient in afwijking van de datum genoemd in lid 1, voor 1 juni van het jaar volgend op het subsidiejaar ingediend te worden.

Rechtspraak bij dit artikel