Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 8.

Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Onderdeel van Verordening sociaal domein gemeente Kaag en Braassem

1.. Een inwoner informeert het college op verzoek of direct uit eigen beweging over alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing voor het gebruik maken van een bepaalde voorziening, zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze verordening. 2.. In aanvulling op artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en op basis van artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of een pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening of op het pgb is aangewezen; de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is; de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb, of de inwoner de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid onder a heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene(n) die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft/hebben verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4.. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen een jaar na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is toegekend niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.. Ingeval het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 6.. Door het college aangestelde toezichthouder, onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (in natura of pgb’s) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid daarvan. Het college kan een toezichthouder rechtmatigheid aanwijzen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel