Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Bladel 2022

1.. De belasting als bedoeld in artikel 2 lid a en b wordt geheven naar: een vast bedrag per perceel voor in hoofdzaak woningen; een vast bedrag per perceel indien sprake is van een agrarisch bedrijf; een bedrag op basis van het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat vanuit het perceel direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd voor in hoofzaak niet-woningen. 2.. Het aantal kubieke meters afgevoerd water wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is toe- gevoerd en/of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 3.. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voor- zien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. 4.. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd. 6.. Voor zover de gegevens als bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het waterverbruik van vergelijkbare huishoudens dan wel bedrijven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel