Naar hoofdinhoud
1.. De Wet wordt in beginsel niet toegepast, ingeval de aanvraag voor een beschikking, wijziging of verleende beschikking afkomstig is van, of het aangaan van een overheidsopdracht of vastgoedtransactie of overeengekomen overheidsopdracht of vastgoedtransactie plaatsvindt met: overheidsinstanties; semi-overheidsinstanties 1 Semi-overheidsinstanties zijn privaatrechtelijke rechtspersonen die een publieke taak behartigen of institutioneel verbonden zijn met de overheid, bijvoorbeeld omdat de overheid de meerderheid van de aandelen bezit. Voorbeelden van semi-overheidsinstanties zijn woningcorporaties, ziekenhuizen, bijzondere onderwijsinstellingen, overheidsbedrijven als NV Luchthaven Schiphol, ProRail BV en de Nederlandse Gasunie NV. ; door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas bij (specifiek) besluit aangewezen aanvragers (b.v. Publiek-Private Samenwerking (PPS)-constructies van particuliere ondernemingen en overheid). 2.. De Wet wordt in beginsel niet toegepast, in geval van meerdere aanvragen en/of overheidsopdrachten en/of vastgoedtransacties binnen een aaneengesloten periode van 24 maanden binnen één project, als er al een Bibob-onderzoek heeft plaatsgevonden bij de eerste aanvraag, overheidsopdracht of vastgoedtransactie binnen dat project en de conclusie van dit Bibob-onderzoek ‘geen gevaar’ was. 3.. De Wet wordt in beginsel niet toegepast, in geval van een aanvraag voor een beschikking of wijziging van beschikking als gevolg van een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming, mits de wederpartij (betrokkene) aantoont of genoegzaam aannemelijk maakt dat min of meer sprake is van gelijke omstandigheden met betrekking tot de bedrijfsstructuur, financieringsconstructie en/of wijze van financiering, zakelijke partners en dergelijke als ten tijde van de vergunningaanvraag waarbij het Bibob-onderzoek wel heeft plaatsgevonden en de conclusie van dit Bibob-onderzoek ‘geen gevaar’ was2 Denk hierbij bijvoorbeeld aan wijziging rechtsvorm van VOF naar eenmanszaak bij vertrek van één van de vennoten of overlijden van één van de vennoten. . 4.. De in het eerste, tweede en derde lid genoemde uitzonderingen gelden niet wanneer: een indicatie of een vermoeden bestaat, dat een weigeringsgrond uit de Wet van toepassing is; onderzocht wordt of een eerder aan de betrokkene verleende beschikking op grond van de Wet kan worden ingetrokken; een situatie als bedoeld in artikel 1.2 van dit beleid aan de orde is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel