Het college kan een parkeervergunning intrekken of wijzigen:
a. op verzoek van de vergunninghouder;
b. wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de parkeervergunning is verleend;
c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de parkeervergunning;
d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van parkeervergunningen komt te vervallen;
e. wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften;
f. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de parkeervergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;
g. om redenen van openbaar belang.
Hoofdstuk
Artikel 8
- Intrekking of wijziging van parkeervergunningen
Onderdeel van Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren