Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2

Voorwaarden individuele studietoeslag

Onderdeel van Beleidsregels individuele studietoeslag Twenterand 2022

1.. Om in aanmerking te kunnen komen voor de individuele studietoeslag toont de belanghebbende aan dat er recht is op studiefinanciering of een tegemoetkoming op grond van de Wtos. Daartoe overlegt de belanghebbende bij de aanvraag de volgende bewijsstukken: bewijsstuk dat hij studiefinanciering ontvangt zoals bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder b, van de Participatiewet, of een bewijsstuk van betaling collegegeld of schoolgeld, of een bewijsstuk van inschrijving bij school of universiteit. 2.. De peildatum is de datum van de dag waarop de aanvraag voor de studietoeslag wordt ingediend. 3.. Voor het bepalen of de belanghebbende recht heeft op de studietoeslag, wordt de situatie op de peildatum beoordeeld. 4.. Het college beoordeelt of een persoon niet in staat is om inkomsten te verwerven naast de studie als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek. Daartoe vraagt het college medisch advies. 5.. Het college vraagt geen medisch advies indien het college op basis van beschikbare gegevens van het UWV, eventuele eerdere medische keuringen en informatie vanuit het netwerk zoals bijvoorbeeld een onderwijsinstelling, de beoordeling bedoeld in het vierde lid kan maken. 6.. Wanneer het in een individueel geval objectief waarneembaar is, dat er beperkingen aanwezig zijn en overigens voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste en het vierde lid, besluit het college tot het toekennen van een studietoeslag. 7.. Indien het college heeft vastgesteld dat de belanghebbende behoort tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder d, van de Participatiewet, dan gaat het college er bij vervolgaanvragen maximaal 5 jaar voor de studietoeslag van uit dat de belanghebbende nog behoort tot de doelgroep van de studietoeslag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel