Het landschap van de Kempen is sterk gevormd door de geologische ondergrond en de interactie die de mens daarmee gehad heeft. De geologische ondergrond is gevarieerd door de doorsnijding van verschillende aardbreuken en steilranden die ontstaan zijn in de ijstijden. Hierdoor varieert de bodem sterk in water-doorlatendheid wat weer sturend werkt in het ontstaan van inzijgingsgebieden. Deze geologische onderlegger heeft geleid tot een drietal landschapstypen: kampenlandschap (de oude cultuurgronden ten zuiden en noorden van Vessem, rondom Eersel, Wintelre enz.), beekdallandschap (Kleine Beerze, de Run, Bruggenrijt enz.) en heideontginningslandschap (Boksheide, Driehuis, Buikheide enz.).
Het kampenlandschap is relatief kleinschalig met kleine buurtschappen waar de opbollende essen achterliggen. De beekdalen liggen terzijde van de buurtschappen en voorzien in water en weidegronden (beemden). Het landschap verandert pas echt na de intrede van kunstmest. Hierdoor konden grote heidevelden ontgonnen en akkergronden grootschalig uitgebreid worden. Het landschap werd grootschaliger.
Deze ontwikkeling in het landschap en de dorpen is op verschillende plaatsen in het landschap nog goed te zien. Vooral bomen spelen hierbij een grote rol. Voorbeelden daarvan zijn de bomen op de gemeenschappelijke plaatse in de dorpen, de oude wegbeplantingen, de beplantingen langs kerkenpaden, de markerings-bomen in het landschap enz. Deze bomen vormen als het ware de schakel tussen het verleden, nu en als het goed is de toekomst. Dit zorgt er voor dat veel mensen zich verbonden voelen met oude bomen.