De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1.3 wordt slechts verleend als:
door de aanleg van de uitweg geen verkeersonveilige situatie ontstaat;
deze niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, zonder dat dat nodig is;
het openbaar groen door de uitweg niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
de activiteit niet de ruimtelijke kwaliteit, waaronder het uiterlijk aanzien van de omgeving, op onaanvaardbare wijze aantast; en
het perceel niet al door een andere uitweg wordt ontsloten, tenzij:
de extra uitweg niet ten koste gaat van openbaar groen of een openbare parkeerplaats; of
bij bedrijven is aangetoond dat één uitweg een doelmatige en efficiënte bedrijfsvoering belemmert.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.4.1
Artikel 3.4.1.5