Het college kent met inachtneming van artikel 2.2 van deze verordening een persoonsgebonden budget toe als naar het oordeel van het college de aanvrager voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvrager:
Al dan niet met hulp van zijn mantelzorger of zijn vertegenwoordiger, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;
Gemotiveerd is dat een aanvrager een persoonsgebonden budget wenst;
Gewaarborgd is dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die met het persoonsgebonden budget betaald moeten worden, veilig, doeltreffend, cliëntgericht en kwalitatief goed zijn.
Het college kent geen persoonsgebonden budget toe als
in de drie jaren, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet maatschappelijke ondersteuning;
Het persoonsgebonden budget negatieve gevolgen heeft voor de werking van het systeem van de desbetreffende maatwerkvoorzieningen in natura;
Er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;
Het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding in het buitenland
Voor zover deze is bedoeld voor administratieve (ondersteunings-)kosten in verband met het persoonsgebonden budget.
Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, mag onder de volgende voorwaarden een persoon uit zijn sociaal netwerk inschakelen:
De persoon heeft niet aangegeven dat ondersteuning aan de aanvrager hem te zwaar valt.
De persoon die de ondersteuning levert mag niet ook de vertegenwoordiger zijn van de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt.
De vertegenwoordiger mag niet, direct en/of indirect uit het persoonsgebonden budget worden betaald.
Artikel 3
Criteria persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Zwolle 2022