Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Toeslagen

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2011

De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid, van de wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid, van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: kinderen van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste norm als bedoeld in artikel 20, onder a, van de wet vermeerderd met 10 % van de gehuwdennorm; thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000; meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden verzorgd. De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid, van de wet bedraagt 5% van de gehuwdennorm voor een dakloze.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel