Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door wie of namens wie een melding of aanvraag is ingediend en, bij gebruikelijke hulp, zijn relevante huisgenoten:
op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;
op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of te laten onderzoeken.
Het college kan een door haar daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:
het een melding of aanvraag betreft van een persoon, die niet eerder een voorziening heeft gehad, dan wel ten aanzien van wie niet eerder een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet heeft plaatsgevonden;
het een melding of aanvraag betreft van een persoon, die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden;
het college dat overigens gewenst vindt.
Het college onderzoekt de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens en stelt zo nodig een onderzoek in naar andere feiten, gegevens of omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de maatwerkvoorziening (waaronder het PGB). Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, besluiten burgemeester en wethouders tot afwijzing of intrekking van de voorziening.
HOOFDSTUK 2
Artikel 3