Voor recht op een nabestaanden- of wezenpensioen,
ontstaan wegens overlijden tussen 30 juni 1996 en 1
januari 1998 van een wethouder, gewezen wethouder of
gepensioneerde wethouder van een nabestaande of een wees
die geen recht heeft op een uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet maar wel recht op pensioen of
tijdelijke uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet zou hebben
gehad indien die wet nog van kracht zou zijn geweest,
geldt het volgende:
voor de toepassing van de bepalingen inzake
samenloop van pensioen en algemeen pensioen over
tijd vóór 1 januari 1986 (inbouwbepalingen) en de
bepalingen inzake het recht op een toeslag wegens
het ontbreken van recht op uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet heeft artikel
23 geen werking;
de onder a bedoelde toeslag wordt berekend
overeenkomstig artikel 29a indien het een toeslag
op een nabestaandenpensioen betreft en
overeenkomstig artikel 33 indien het een toeslag
op een wezenpensioen betreft;
een toeslag op een nabestaandenpensioen wordt
mede berekend over tijd na 31 december 1995,
indien en voor zover in aanmerking genomen voor de
berekening van het pensioen.
Het eerste lid, onder c, geldt mede voor een recht op
nabestaandenpensioen, ontstaan wegens overlijden tussen
26 juni 1996 en 1 juli 1996 van een wethouder, gewezen
of gepensioneerde wethouder van een nabestaande die
wegens dat overlijden recht heeft verkregen op een
tijdelijke weduwe-uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, na het
verstrijken van de duur van die uitkering.
Hoofdstuk › Afdeling › Paragraaf
Artikel 23a
Artikel 23a
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Leusden