Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een
algemeen pensioen wordt het deel daarvan, dat geacht kan
worden betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende
met de diensttijd waarnaar zijn pensioen is of geacht
wordt te zijn berekend, gerekend deel uit te maken van
het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:
voor zover diensttijd met 3,5 procent per jaar
met pensioen wordt vervolgen, deze diensttijd met
2 wordt vermenigvuldigd;
voor zover diensttijd met 0,875 procent per jaar
met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met
0,5 wordt vennenigvuldigd;
maximaal een diensttijd van 40 jaar in
aanmerking wordt genomen. Het in de vorige volzin
omschreven deel wordt inbouwbedrag genoemd.
Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen
als bedoeld in artikel 25, dat is afgeleid van een
pensioen waarop, in verband met het recht op een
pensioen als bedoeld in artikel 9, tiende lid, onder a of b van de Algemene
Ouderdomswet, lid 1 van toepassing was,
vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van
de eerste dag van de maand, volgende op die waarin dat
pensioen krachtens het bepaalde in artikel 65, lid 1, is
geëindigd.
Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het
algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te
hebben op een tijdvak, liggende tussen de aanvang en het
einde van de diensttijd, waarnaar het pensioen met
inachtneming van lid 1 is of geacht wordt te zijn
berekend.
Hoofdstuk › Afdeling › Paragraaf
Artikel 47
Inbouwbedrag
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Leusden