Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een
gepensioneerde wethouder wordt aan diens nabestaande,
van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een
uitkering toegekend ten bedrage van zijn pensioen over
een tijdvak van twee maanden (nabestaandenuitkering).
Bij ontstentenis van een nabestaande van wie de
overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de
uitkering ten behoeve van minderjarige wettige of
natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige
kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg
droeg.
Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor
het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het
een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting
daartoe of van het genieten van een vergoeding
daarvoor.
Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als
bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde
bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd door de
betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de
lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling
van die kosten ontoereikend is.
Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval van
vermissing van een gepensioneerde wethouder.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen
verstaan het bedrag waarop de overledene recht had,
eventueel na toepassing van hoofdstuk V.
Hoofdstuk › Afdeling › Paragraaf
Artikel 66
Nabestaandenuitkering
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Leusden