Nadere regels op grond van artikel 3.2.1 van de verordening (voorwaarden en verstrekking van woonvoorzieningen)
Woonvoorziening/-sanering:
Wanneer sprake is van plotselinge beperkingen ten gevolge van COPD of continu rolstoelgebruik waardoor vervanging van vloerbedekking noodzakelijk is kan hiervoor (onder voorwaarden) een maatwerkvoorziening worden verstrekt. De leeftijd van de huidige vloerbedekking is van belang bij het vaststellen van de hoogte van de vergoedingen. Het maximum normbedrag voor vloerbedekking: € 12,50 per m2. De vloerbedekking mag niet ouder zijn dan 8 jaar. Vaststelling afschrijvingspercentage:
Leeftijd vloerbedekking
Vergoeding op basis van normbedrag
0 - 2 jaar oud
100%
2 - 4 jaar oud
75%
4 - 6 jaar oud
50%
6 - 8 jaar oud
25%
De vergoeding wordt uitbetaald nadat bewijsstukken van de gemaakte kosten worden ingediend.
Woonvoorziening voor stalling vervoersvoorziening
Met name vervoersvoorzieningen met een motor, maar ook andere vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen moeten adequaat gestald kunnen worden. Bij een voorziening met een accu is het noodzakelijk dat de stalling droog is en er een aansluiting aanwezig is om de accu op te laden. Bovendien moet de inwoner de verplaatsing van stalling naar woonruimte kunnen maken, hetgeen kan leiden tot aanpassingen. Als een dergelijke stalling niet aanwezig of adequaat is, maar de klant wel geïndiceerd is voor een vervoersvoorziening, dan zal de gemeente bij moeten dragen in het realiseren of adequaat maken van een dergelijke ruimte.
De aanpassing van de stalling is in dat geval onlosmakelijk verbonden aan de verstrekking aan de vervoersvoorziening of de rolstoel. Als deze kosten erg hoog zijn, kunnen andere vervoersvoorzieningen worden overwogen. De stalling voor een (aangepaste) fiets komt in aanmerking voor een vergoeding indien noodzakelijk. Als de voorziening wordt opgeslagen, is de klant verplicht de inboedelverzekering te verhogen of een opstalverzekering af te sluiten. Bij schade door brand of anderszins verstrekt de gemeente geen nieuwe voorziening, als blijkt dat de voorziening niet was verzekerd. Vervoersvoorzieningen zijn, indien dit voor het betreffende vervoersmiddel wettelijk voorgeschreven is door de gemeente WA verzekerd.
Als de eigenaar van de woning of de verenging van eigenaren geen toestemming geeft voor het realiseren van een stalling in een algemene ruimte, kan dit een reden zijn om de maatwerk- vervoersvoorziening niet toe te kennen.
Extra aanpassingen welke noodzakelijk zijn als gevolg van de indeling van tuin/terras, afmetingen van door de inwoner aangebrachte toegangspaden, beplanting in de tuin, erfafscheidingen en dergelijke, verzakking van straatwerk komen niet voor vergoeding in aanmerking.
De verantwoordelijkheid ligt bij de inwoner om uit te zoeken of er een stalling gerealiseerd mag worden, bijvoorbeeld bij de vereniging van eigenaren.
Als de stalling niet te realiseren is, kan aan de inwoner eventueel een verhuisadvies worden gegeven.
Checklist woonvoorzieningen
Bij de bepaling aanvullende criteria voor woonvoorzieningen wordt de volgende checklist "belangenafweging toepassen primaat van verhuizen" toegepast:
Aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen;
Kostenvergelijk tussen aanpassen en verhuizen;
Volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen;
Woning moet binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn;
Sociale omstandigheden;
Afstemming met andere voorzieningen;
Werksituatie;
Verandering in woonlasten;
Wooncomfort;
Is inwoner huurder of eigenaar van de woning;
De wil van inwoner om te verhuizen;
Overige specifieke omstandigheden.
Bouwkundige woningaanpassing, verkoop en terugvordering
Gerealiseerde bouwkundige woningaanpassingen, zoals een aanbouw, leiden tot waardestijging van de woning. Als een inwoner, die een bouwkundige woningaanpassing in eigendom of via een pgb heeft ontvangen, binnen een termijn van 10 jaar na de oplevering van de woningaanpassing de woning verkoopt, dan heeft de inwoner in beginsel financieel voordeel van een aanpassing die door de gemeente is gefinancierd. In dat geval wordt een deel van de kosten van de woningaanpassing van de inwoner teruggevorderd. De hoogte van de terugvordering is afhankelijk van het jaar van verkoop na de oplevering van de woningaanpassing. Terugvordering vindt plaats conform het navolgende schema:
Verkoop in
Jaar 1 100% van de meerwaarde exclusief btw;
Jaar 2 90%
Jaar 3 80%
Jaar 4 70%
Jaar 5 60%
Jaar 6 50%
Jaar 7 40%
Jaar 8 30%
Jaar 9 20%
Jaar 10 10%
Jaar 11 en verder 0%
Woningaanpassing in verband met beperkingen van minderjarig kind
Wanneer er een noodzaak is tot aanpassing van de woning in verband met de beperkingen van een minderjarig kind, dan wordt uitsluitend de woning aangepast waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.
Woningaanpassing en verhuisplicht
Als de woning alleen passend kan worden gemaakt door middel van een bouwkundige woningaanpassing, dan wordt deze in beginsel uitgevoerd, mits de noodzaak hiertoe is vastgesteld en de kosten van de woningaanpassing niet hoger zijn dan € 9.000,-. Als de woning bouwkundig niet is aan te passen, of de kosten hoger uitvallen dan € 9.000,- dan wordt een bouwkundige woningaanpassing niet uitgevoerd, en wordt de inwoner verplicht te verhuizen naar een passende woning, zo mogelijk op grond van een woonurgentie. Er kan in dat geval een compensatie worden verleend voor de verhuis- en inrichtingskosten, waarvan het bedrag is opgenomen in het Financieel Besluit.
Op grond van een individuele beoordeling wordt bepaald of van verhuisplicht kan worden afgeweken op basis van de navolgende criteria:
Een verhuizing heeft tot gevolg dat mantelzorg niet kan worden gecontinueerd;
Een verhuizing heeft tot gevolg dat ondersteuning vanuit het sociaal netwerk niet kan worden gecontinueerd;
Een passende woning is niet binnen 6 maanden beschikbaar.
Nadere regels op grond van artikel 3.2.2 van de verordening (huishoudelijke ondersteuning)
Toevoeging uitgangspunten bij zorg voor kinderen
Uitgangspunten bij de zorg voor kinderen
De taken die vallen onder Kindzorg staan vermeld op ‘Kindzorg’.
Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Zijn er algemene, collectieve of voorliggende voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de inwoner op eigen kracht, of met behulp van de mensen om hem heen zorgen voor de kinderen?
Hieronder wordt aangegeven wat verwacht kan worden van gezonde kinderen in een bepaalde leeftijdsfase in relatie tot zorg.
Kinderen van 0 tot en met 4 jaar:
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;
moeten volledig verzorgd worden; aan- en uitkleden, eten en wassen;
zijn tot 4 jaar niet zindelijk;
hebben begeleiding nodig bij hun sport/spel- en vrijetijdsbesteding, hebben dit niet in verenigingsverband;
zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.
Kinderen van 5 tot en met 11 jaar:
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;
hebben toezicht nodig (en nog maar weinig hulp) bij hun persoonlijke verzorging;
zijn overdag zindelijk en 's nachts merendeel ook;
sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, gemiddeld 2x per week;
hebben bij hun vrijetijdsbesteding alleen begeleiding nodig in het verkeer wanneer zij van en haar hun activiteiten gaan;
hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week.
Kinderen van 12 tot en met 17 jaar:
hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden, kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden, kunnen vanaf 18 zelfstandig wonen;
hebben geen hulp (en maar weinig toezicht) nodig bij hun persoonlijke verzorging;
sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, onbekend aantal keer per week;
hebben bij hun vrijetijdsbesteding geen begeleiding nodig in het verkeer;
hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding.
Kinderen van 18 tot en met 22 jaar:
Kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen:
het schoon houden van sanitaire ruimte en één kamer,
de was doen voor 1 persoon,
boodschappen doen voor 1 persoon,
de maaltijden verzorgen,
afwassen en opruimen.
Indien nodig en mogelijk kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun activiteiten behoren.
De zorg door kinderen en jong volwassenen wordt in mindering gebracht op de indicatie voor het gezin. Het betreft te allen tijden maatwerk.
Kinderen van 23 jaar en ouder:
Van hen wordt verwacht dat zij alle huishoudelijke activiteiten kunnen overnemen.
Toevoeging kindzorg
Kindzorg
Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen en/of ziekte (tijdelijk) niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van zijn of haar kinderen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke hulp hoeft het college niet te compenseren. Het college ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot de leeftijd van vijf jaar. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een definitieve oplossing. Een indicatie wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouder(s) of verzorger(s) de mogelijkheid te bieden in een oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo.
Normtijden Kindzorg:
Voor kinderen tot 5 jaar geldt:
Naar bed brengen: 10 minuten per keer per kind
Uit bed halen: 10 minuten per keer per kind
Wassen en kleden: 30 minuten per kind
Eten/en of drinken geven: 20 minuten per broodmaaltijd/ 25 minuten per warme maaltijd
Babyvoeding (fles geven): 20 minuten per keer per kind
Luier verschonen: 10 minuten per keer per kind
Naar school/kinderdagverblijf/peuterspeelzaal brengen: 15 minuten per keer per gezin
Bovenstaande tijden gelden tot een maximum van 40 uur per week voor een maximum van 3 maanden en zoveel korter indien mogelijk.
Bron: CIZ normtijden 2006,
Toelichting op de aanwezigheid van veel spullen in een woning
Wanneer er een woning (zeer) vol staat met spullen, zodanig dat dit de huishoudelijke ondersteuning belemmert, dan kan de gemeente verwachten dat de hulpvragende inwoner de spullen vermindert. Hierdoor worden de reguliere schoonmaakactiviteiten, dat wil zeggen: het resultaat “een schoon en leefbaar huis” er niet door belemmerd. Voor de aanwezigheid van veel spullen in de woning verleent de gemeente om die reden geen extra ondersteuningstijd.
Toelichting op de aanwezigheid van Huisdieren
De verzorging van huisdieren is eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. De gemeente verleent geen extra tijd in het kader van de huishoudelijke ondersteuning vanwege de aanwezigheid van huisdieren. Dit betreft een eigen keuze van de inwoner. Voor huisdieren kan extra inzet van ondersteuning wel noodzakelijk zijn, als het dier functioneert als ‘hulpmiddel’, zoals een (gecertificeerde) therapie- of hulphond en de inwoner niet in staat is de vervuiling door het dier op te ruimen.
Nadere regels op grond van artikel 7.2 van de verordening (rolstoel en sportrolstoel)
Rolstoelen
Wij onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen:
handmatig voortbewogen rolstoel;
elektrisch voortbewogen rolstoel;
aanpassingen aan de rolstoel.
Met aanpassingen wordt bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de inwoner. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed.
Primair doel van de rolstoel is zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met andere voorzieningen als looprek, rollator, wandelstok en krukken langdurig niet of onvoldoende mogelijk is.
Op grond van de Wmo 2015 kan een maatwerkvoorziening worden geweigerd indien de inwoner aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarop aanspraak kan maken en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een dergelijk besluit.
Dit betekent dat als een inwoner aanspraak kan maken op een rolstoelvoorziening via de Wlz er geen rolstoelvoorziening wordt verstrekt op grond van de Wmo.
Als blijkt dat de inwoner, al dan niet met behulp van een algemene- of voorliggende voorziening, niet in zijn verplaatsingsbehoefte kan voorzien dan kan een rolstoel verstrekt worden. Een rolstoel is bedoeld voor het verplaatsen in en om de woning en is essentieel om de zelfredzaamheid en participatie van een inwoner te verbeteren of te behouden. Het hoeft niet zo te zijn dat de inwoner de gehele dag is aangewezen op zittend verplaatsen. Als de inwoner bijvoorbeeld wel een kleine afstand te voet (bijvoorbeeld 50 meter) kan afleggen, maar daarna is aangewezen op zittend verplaatsen, dan kan hij of zij op een rolstoelvoorziening aangewezen zijn. Het moet dan veelal wel duidelijk zijn dat andere loophulpmiddelen (zoals een rollator of trippelstoel) geen oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem.
Trippelstoelen kunnen op grond van de zorgverzekeringswet worden verstrekt.
Rolstoel en indicatie Wlz of verblijf in Wlz-instelling
Inwoners met een Volledig pakket thuis of Modulair pakket thuis op grond van de Wlz vallen met betrekking tot een melding voor een rolstoel/scootmobiel onder de Wmo.
Voor een rolstoel/scootmobiel, verkregen vanuit de Wmo, van een inwoner die vóór 1 januari 2020 al was opgenomen in een verpleeghuis met een indicatie Wlz blijft de Wmo verantwoordelijk voor onderhoud en/of aanpassing van de rolstoel/scootmobiel totdat het middel technisch aan vervanging toe is. Vervanging dient vervolgens te geschieden vanuit de Wlz (nieuwe verstrekking door Zorgkantoor).
Voor een rolstoel/scootmobiel, verkregen vanuit de Wmo, van een inwoner die na 1 januari 2020 met een Wlz-indicatie verhuist naar een verpleeghuis of zorgcentrum wordt beoordeeld of deze wel of niet moet worden vervangen. Als deze moet worden vervangen valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (nieuwe verstrekking door Zorgkantoor). Als deze niet hoeft te worden vervangen, kan deze worden overgenomen door de Wlz. Na overdracht komen aanpassingen en onderhoud ten laste van de Wlz.
Een inwoner die een melding wil doen voor een rolstoel of scootmobiel en met een Wlz-indicatie in verpleeghuis of zorginstelling verblijft, dient hiervoor een beroep te doen op de Wlz.
Sportvoorziening
Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De inwoner moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van een bewijs van lidmaatschap van een sportvereniging. Verwacht mag worden dat de levensduur van een sportvoorziening minimaal drie jaar is.
Accessoires
De bij een hulpmiddel behorende accessoires worden alleen ten laste van de Wmo verstrekt wanneer deze, gelet op de aard van de beperking, noodzakelijk zijn voor een veilig gebruik en voor zover zij niet algemeen gebruikelijk zijn.
Duwondersteuning voor rolstoel
Wanneer een duwondersteuning voor een rolstoel noodzakelijk wordt geacht, dan moet worden beoordeeld of deze wordt aangemerkt als een rolstoelvoorziening (als hulpmiddel voor in en om de woning) of een vervoersvoorziening. Het onderscheid is van belang in verband met de eigen bijdrage. Voor een vervoersvoorziening is een eigen bijdrage verschuldigd, voor een rolstoelvoorziening (ook als het gaat om een onderdeel) is geen eigen bijdrage verschuldigd.
Als het gaat om een duwondersteuning voor een rolstoel voor korte afstanden (tot 1 km vanaf de woning), dan gaat het om een rolstoelvoorziening (geen eigen bijdrage). Gaat het om een duwondersteuning in verband met het afleggen van langere afstanden, dan betreft het een vervoersvoorziening (wel eigen bijdrage).
Toelichting voorwaarden en verstrekking van woonvoorzieningen
Zoals bepaald in artikel 3.2 van de verordening kan de inwoner die, gezien zijn beperkingen, niet normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op het wonen. De medewerker van de gemeente kan een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van een woningaanpassing of een maatwerkvoorziening ten behoeve van het zich kunnen verplaatsen in en om de woning, zoals een traplift. De maatwerkvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Hierbij kunnen enkel woonvoorzieningen worden getroffen in ruimtes met een elementaire woonfunctie voor de ingezetene in kwestie. In beginsel zijn dit de woonkamer, slaapkamer, keuken, wc en de badkamer. Daarbij wordt per inwoner gekeken wat nodig is en welke inspanning vanuit de inwoner reëel te verwachten is. In het kader van de harmonisatie van de regeling geldt hier een overgangsperiode van een jaar. Dat wil zeggen dat voorzieningen die eerder werden verstrekt niet vanzelfsprekend meer verstrekt worden. En dat per geval bekeken wordt wat wenselijk is.
Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen en lichaamsreiniging, en essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, en het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind.
Verhuizen naar een geschikte woonruimte kan een maatwerkvoorziening zijn binnen deze verordening. Voor deze voorziening wordt gekozen als deze de goedkoopst compenserende is en er geen zwaarwegende belangen zijn om niet te verhuizen. Kosten die in de toekomst zullen moeten worden gemaakt, worden in de overweging meegenomen.
Als inwoner geadviseerd wordt te verhuizen kan eventueel – indien nodig- ondersteuning worden geboden bij het vinden van geschikte woonruimte (denk aan woningurgentie).
Losse woonvoorzieningen kunnen zowel in bruikleen als in eigendom worden verstrekt. Relatief goedkope hulpmiddelen (waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel), zullen in eigendom worden verstrekt.
Hoofdstuk 3:
Artikel 3.2
Zelfstandig en veilig wonen
Onderdeel van Nadere regels en toelichting maatschappelijke ondersteuning gemeente Vijfheerenlanden 2022