Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:
op verzoek van de vergunninghouder;
wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend;
wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;
wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;
wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;
wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;
om redenen van openbaar belang;
wanneer op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang van de verkeersveiligheid of het gemeentelijk beleid betreffende parkeerregulering.
Hoofdstuk 2
Artikel 2:5
Intrekking of wijziging van de vergunning
Onderdeel van Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022