De aanvrager is ervoor verantwoordelijk dat op de basis van artikel 7 en 12 aan te leggen deelautoplekken deelauto’s worden geplaatst en structureel en duurzaam worden geëxploiteerd.
In het mobiliteitsbeheerplan bij de aanvraag omgevingsvergunning waar gebruik gemaakt wordt van Aw3 dient de duurzame beschikbaarheid en bruikbaarheid van de deelauto’s (of indien van toepassing deelfietsen, deelbromfietsen en deelbakfietsen) voor de beoogde doelgroep in samenhang met het stedelijke vervoerssysteem en smartmobility systeem te worden aangetoond waarbij o.a. dient te worden ingegaan op:
de fasering van het plaatsen van voertuigen;
bij grotere ontwikkelingen: de deelauto en zijn plek in het totale mobiliteitsconcept;
de organisatie;
het kwaliteitsniveau/serviceniveau en aanbod passend bij de doelgroep;
aansluiting op aanbod op gebiedsniveau en stadsniveau;
verstrekken monitoringsinformatie (indien deelauto’s op de openbare weg worden geplaatst);
het uitgangspunt dat deelvoertuigen zo veel mogelijk elektrisch zijn;
hoe gebruik wordt gestimuleerd.
De onder a. en b. genoemde afspraken uit het mobiliteitsbeheerplan dienen met een kettingbeding te worden opgelegd aan de opvolgende eigenaar (VVE, belegger of corporatie of andere eigenaren).
Indien gebruik gemaakt wordt van een gemeentelijke deelmobiliteitshub kan voor een deel van de onderbouwing zoals benoemd onder b. en c. worden uitgegaan van de gemeentelijke uitgangspunten voor de betreffende hub.
Hoofdstuk 4
Artikel 15
Beschikbaarheid deelauto’s (Aw3)
Onderdeel van Beleidsregel parkeernormen auto 2021 gemeente Utrecht