Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 6

Het intrekken en wijzigen van de gebruiksvergunning

Onderdeel van Brandbeveiligingsverordening 2010

1.. Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning wijzigen: indien een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten de inrichting die bij de verlening van de gebruiksvergunning een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk maakt, of op verzoek van de vergunninghouder. 2.. Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning intrekken: indien blijkt dat zij de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend; indien blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorwaarde van de vergunning; indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 30 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; indien van de vergunning gedurende een aansluitende periode van 30 weken of langer geen gebruik is gemaakt; indien het belang in verband waarmee de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door wijziging van de vergunning dat belang voldoende te beschermen of op verzoek van de vergunninghouder. 3.. Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking of wijziging van de gebruiksvergunning dan nadat zij de vergunninghouder in de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, tenzij de intrekking of wijziging plaatsvindt op verzoek van vergunninghouder.

Rechtspraak bij dit artikel