**1..** Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning
wijzigen:
indien een verandering van inzichten of van omstandigheden
gelegen buiten de inrichting die bij de verlening van de
gebruiksvergunning een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk
maakt, of
op verzoek van de vergunninghouder.
**2..** Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning
intrekken:
indien blijkt dat zij de vergunning op grond van onjuiste of
onvolledige gegevens hebben verleend;
indien blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
voldaan aan een voorwaarde van de vergunning;
indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen
30 weken na het onherroepelijk worden van de
vergunning;
indien van de vergunning gedurende een aansluitende periode
van 30 weken of langer geen gebruik is gemaakt;
indien het belang in verband waarmee de vergunning is
verleend dit vereist op grond van een verandering van
inzichten of van omstandigheden gelegen buiten de
inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en
het niet mogelijk blijkt door wijziging van de vergunning
dat belang voldoende te beschermen of
op verzoek van de vergunninghouder.
**3..** Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking of
wijziging van de gebruiksvergunning dan nadat zij de
vergunninghouder in de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze
naar voren te brengen, tenzij de intrekking of wijziging plaatsvindt
op verzoek van vergunninghouder.
Hoofdstuk 2
Artikel 6
Het intrekken en wijzigen van de gebruiksvergunning
Onderdeel van Brandbeveiligingsverordening 2010