• - Een parkeervergunning kan worden ingetrokken of geweigerd:
    • - op verzoek van de vergunninghouder;
    • - of ambtshalve:
      • - wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt;
      • - wanneer er zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden die relevant zijn voor het verlenen van de vergunning;
      • - wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;
      • - wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
      • - wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;
      • - om redenen van openbaar belang;
      • - bij niet tijdige betaling en zonder reactie op de daaropvolgende aanmaning.
  • - Een parkeervergunning, met uitzondering van een gehandicaptenparkeervergunning als bedoeld in artikel 17, is maximaal één vergunningjaar geldig; hierna moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.
  • - Indien aan een parkeervergunning voorschriften en beperkingen worden verbonden over het gebruik van de vergunning, dan worden deze aan de vergunninghouder bekend gemaakt bij toekenning van de parkeervergunning.
  • - Aan een aanvrager van wie een parkeervergunning is ingetrokken op grond van lid 1 sub b onder iv of v van dit artikel, wordt een parkeervergunning geweigerd voor een periode van 12 maanden gerekend vanaf het moment van de intrekking.
  • - Als een parkeervergunning is ingetrokken op grond van lid 1 sub b onder vii moet er om in aanmerking te komen voor een nieuwe parkeervergunning een nieuwe aanvraag worden ingediend.