Naar hoofdinhoud

Artikel 6.

Verlenen, intrekken, weigeren of wijzigen van de parkeervergunning

Onderdeel van Uitwerkingsbesluit Parkeren 2022

Een parkeervergunning kan worden ingetrokken of geweigerd: op verzoek van de vergunninghouder; of ambtshalve: wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt; wanneer er zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden die relevant zijn voor het verlenen van de vergunning; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; om redenen van openbaar belang; bij niet tijdige betaling en zonder reactie op de daaropvolgende aanmaning. Een parkeervergunning, met uitzondering van een gehandicaptenparkeervergunning als bedoeld in artikel 17, is maximaal één vergunningjaar geldig; hierna moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Indien aan een parkeervergunning voorschriften en beperkingen worden verbonden over het gebruik van de vergunning, dan worden deze aan de vergunninghouder bekend gemaakt bij toekenning van de parkeervergunning. Aan een aanvrager van wie een parkeervergunning is ingetrokken op grond van lid 1 sub b onder iv of v van dit artikel, wordt een parkeervergunning geweigerd voor een periode van 12 maanden gerekend vanaf het moment van de intrekking. Als een parkeervergunning is ingetrokken op grond van lid 1 sub b onder vii moet er om in aanmerking te komen voor een nieuwe parkeervergunning een nieuwe aanvraag worden ingediend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel