Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 19

Afwezigheid en vervanging

Onderdeel van Beleidsregels standplaatsen Het Hogeland 2021

De vergunninghouder dient persoonlijk aanwezig te zijn, van het tijdstip van aanvang van de exploitatie tot het tijdstip van beëindiging van de exploitatie. De vergunninghouder van een vaste of seizoengebonden standplaats, die wegens vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn standplaats in te nemen, deelt dit schriftelijk (gemeente@hethogeland.nl) mee aan het college. Bij vakantie heeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt. In geval van vakantie of van bijzondere omstandigheden kan het college echter toestaan dat de standplaats wordt ingenomen door een vervanger. Een melding daartoe moet tegelijkertijd met de mededeling als bedoeld in lid 2 of anders zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 2 dagen voor het moment van vervanging bij het college worden ingediend en vermeldt de reden en de verwachte duur van de afwezigheid van de vergunninghouder en de naam van de beoogde vervanger. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid – en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger. Het niet gebruik van de vergunning geldt als intrekkingsgrond van de vergunning op grond van artikel 1:6 van de APV. De daarin vermelde ‘redelijke termijn ‘binnen welke geen gebruik wordt gemaakt van een vergunning wordt als volgt ingevuld: Eén maand voor vaste standplaatsen Twee weken voor seizoengebonden standplaatsen In bijzondere omstandigheden kan het college, na verzoek van de standplaatshouder, schriftelijk ontheffing verleen van de termijn als bedoeld in lid 5. In de ontheffing wordt een nieuwe termijn genoemd die redelijk is in relatie tot de bijzondere omstandigheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel