1.
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a bedraagt
€
150,70
2.
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt voor een perceel gebruikt als:
1.
onderwijslokaal, per lokaal
€
264,60
2.
een gebouw met een culturele, recreatieve bestemming of als zijnde een wijkgebouw
€
264,60
3.
café-restaurant, bar of enig ander horecabedrijf, geen hotel zijnde
€
510,50
4.
winkel, garagebedrijf, fabriek, kantoor, werkplaats of enig ander bedrijf, geen horecabedrijf zijnde, waarin werkzaam zijn:
minder dan 5 personen
5 tot en met 10 personen
11 tot en met 50 personen
51 tot en met 100 personen
vermeerderd met € 866,40 voor elk honderdtal personen of gedeelte daarvan boven de 100 personen.
€
€
€
€
264,60
445,70
885,50
1.781,50
5.
hotel of pension, huisvesting biedende aan:
minder dan 10 personen
10 tot en met 50 personen
51 tot en met 100 personen
vermeerderd met € 1.121,40 voor elk honderdtal personen of gedeelte daarvan boven de 100 personen.
€
€
€
510,50
1.146,10
2.027,50
6.
verpleeginrichting of bejaardentehuis, huisvesting biedende aan:
minder dan 10 personen
10 tot en met 50 personen
51 tot en met 100 personen
vermeerderd met € 1.743,10 voor elk honderdtal personen of gedeelte daarvan boven de 100 personen.
€
€
€
885,50
1.781,50
3.556,30
7.
voor een perceel, niet vallend onder één van de voorgaande leden
€
753,20
3.
Belastingaanslagen van minder dan € 5,-- worden niet opgelegd.
4.
Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 6
Belastingtarieven
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van de rioolheffing 2022