Allereerst wordt door het college gekeken waar de vervoersbehoefte van de
inwoner uit bestaat. Bij het bepalen van de relevante vervoersbehoefte gaat het niet om de vraag hoe vaak een inwoner een bepaalde bestemming wil bereiken, maar om de vraag hoe vaak hij dat moet kunnen doen om deel te nemen aan het ‘leven van alledag’ en om de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten te onderhouden. Wat mensen normaal gesproken van dag tot dag plegen te doen of zouden doen wanneer het gaat om zichzelf (buitenshuis) te verplaatsen ook gelet op hun financiële capaciteit, moet derhalve uitgangspunt zijn bij de beoordeling van de vervoersbehoefte. Indien hierbij beperkingen worden ondervonden, dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen.
Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft al een auto en is gewend daar alles mee te doen) zal er geen noodzaak zijn om hulp-op-maat te verstrekken omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Dat kan anders zijn indien zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken, of als de auto voor hun beperking aangepast zou moeten worden.
Om voor hulp-op-maat in aanmerking te komen, gaat het college eerst na in hoeverre men zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien (bijvoorbeeld het openbaar vervoer of de eigen auto) en/of hulp kan inschakelen van het eigen netwerk. Er wordt beoordeeld of gebruik kan worden gemaakt van een andere mogelijkheden zoals een duofiets uit de mobiliteitspool.
Hoofdstuk 8.
Artikel 8.1
Vervoersbehoefte
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oost Gelre 2022