Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6:

Artikel 16:

Begeleiding en ernstige benadeling (art. 12 en 18 Verordening)

Onderdeel van Uitvoeringsregels leerlingenvervoer 2022 gemeente Brunssum

1.. Het geven van begeleiding tijdens het leerlingenvervoer behoort in beginsel tot de taak van de ouders. Dat ouders door werk, (verplichte) scholing, de zorg voor een of meer andere kinderen en/of het alleenstaand ouder zijn niet in de gelegenheid zijn het kind zelf naar school te begeleiden onderscheidt zich niet in betekenende mate van de situatie waarin vele andere ouders zich bevinden. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat een sociaal netwerk ontbreekt om het kind naar school te begeleiden. De genoemde redenen zijn daarom geen redenen om aangepast vervoer toe te kennen. 2.. In afwijking van lid 1 kunnen werk, verplichte scholing en de zorg voor een of meer andere kinderen die op grond van aantoonbare redenen niet alleen gelaten kunnen worden of gelijktijdig met de leerling op wie de aanvraag betrekking heeft naar school begeleid moeten worden, wel een reden zijn om aangepast vervoer toe te kennen aan pleegouders. Hiertoe dient een integrale afweging van alle omstandigheden en mogelijkheden van de pleegouders te worden gemaakt. 3.. Van een ernstige benadeling van het gezin in de zin van artikel 12 lid 1 onder c en artikel 18 lid 1 onder c van de Verordening is in elk geval sprake indien de leerling een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoekt, begeleiding in het openbaar vervoer noodzakelijk is én de volgens artikel 11 van deze Uitvoeringsregels bepaalde reistijd enkele reis voor de begeleider een uur of meer bedraagt. 4.. Ouders die van mening zijn dat er in hun geval sprake is van een ernstige benadeling in de zin van artikel 12 lid 1 onder c en artikel 18 lid 1 onder c van de Verordening dienen zelf bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt waaruit deze ernstige benadeling bestaat. Zonodig kunnen deze bewijsstukken door de gemeente worden voorgelegd aan een deskundige als bedoeld in artikel 9 lid 4 en artikel 16 lid 2 van de Verordening. Op basis van de ingeleverde bewijsstukken en eventuele adviezen van deskundigen, maakt de gemeente een afweging. Hierbij geldt het uitgangspunt dat ook het oplossen van problemen met de begeleiding die voortvloeien uit onvoorziene uitzonderlijke omstandigheden in beginsel tot de verantwoordelijkheid van ouders behoren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel