Een inwoner met beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden als:
de inwoner door zijn belemmeringen, rekening houdend met de beschikbaarheid van de gebruikelijke hulp en onverplichte mantelzorg, niet of onvoldoende in staat is tot het op eigen kracht verzorgen van het huishouden van zichzelf of van de leefeenheid waartoe hij behoort of
deze kortdurend, al dan niet in verband met het tijdelijk ontbreken of het ontlasten van mantelzorg, noodzakelijk is.
Hulp bij het huishouden wordt als maatwerkvoorziening verstrekt als hulp bij het huishouden 1 (HH1) of als hulp bij het huishouden 2 (HH2). Daarbij geldt dat:
HH1 een maatwerkvoorziening is waarbij geheel of gedeeltelijk activiteiten op het gebied van het huishouden worden overgenomen. De inwoner is in staat tot zelfregie over de planning en organisatie van de activiteiten;
HH2 een maatwerkvoorziening is waarbij geheel of gedeeltelijk activiteiten op het gebied van het huishouden worden overgenomen met inbegrip van hulp bij de organisatie van het huishouden aangezien de inwoner zelf niet in staat is regie over zijn huishouding te voeren.
Voor de maatwerkvoorziening HH1, zoals genoemd in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt ook de financiële draagkracht meegewogen in de beoordeling van eigen kracht. Hierbij wordt een inkomensgrens gehanteerd die afgeleid is van het bruto wettelijk minimumloon. Dit minimumloon wordt tweemaal per jaar op 1 januari en 1 juli gewijzigd en is per 1 januari 2022 vastgesteld op € 1.725 per maand voor een persoon van 21 jaar of ouder.
Wanneer er sprake is van een gezinsinkomen hoger dan 150% van het bruto wettelijk minimumloon wordt in principe geen maatwerkvoorziening HH1 toegekend omdat er sprake is van financiële zelfredzaamheid waarbij de inwoner op eigen kracht in een oplossing kan voorzien. Het college neemt het afwegingskader in bijlage 5 van deze nadere regels in acht voor de beoordeling van de financiële draagkracht.
Als een inwoner gebruik maakt van particuliere hulp, of in de periode van vier maanden voorafgaand aan de aanvraag gebruik heeft gemaakt van particuliere hulp, wordt geen hulp bij het huishouden toegekend als met de inzet van deze particuliere hulp de belemmeringen van deze inwoner als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, naar het oordeel van het college voldoende zijn opgeheven en wanneer er naar het oordeel van het college enkel sprake is van een financieel voordeel voor deze inwoner als hij gebruik zou kunnen maken van de voorziening hulp bij het huishouden.
Als naar het oordeel van het college meer ondersteuning benodigd is voor de inwoner als bedoeld in het vierde lid dan particuliere hulp redelijkerwijs kan bieden, kan voor deze aanvullende benodigde ondersteuning hulp bij het huishouden worden verstrekt.
Een inwoner die planbare zorg ontvangt heeft, behoudens het zevende lid, geen recht op hulp bij het huishouden. Met planbare zorg worden medische handelingen bedoeld die noodzakelijk zijn, maar niet direct plaats hoeven te vinden en op een vooraf vastgesteld moment worden uitgevoerd.
Aan een inwoner als bedoeld in het zesde lid wordt, al dan niet tijdelijk, hulp bij het huishouden verstrekt als:
de hulp bij het huishouden noodzakelijk is voor meer dan zes weken;
de aanvrager naar het oordeel van het college voldoende schriftelijk door middel van zijn stappen om informele hulp te verkrijgen aantoont dat hij die hulp niet heeft kunnen vinden; of
de noodzakelijke hulp de informele hulp die redelijkerwijs voorzienbaar was, overstijgt.
De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden heeft in beginsel betrekking op het hoofdverblijf van de inwoner aan wie deze maatwerkvoorziening is verstrekt.
In afwijking van het achtste lid kan het college in uitzonderlijke gevallen de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden blijven verstrekken als een inwoner tijdelijk niet in zijn hoofdverblijf verblijft en als hij wenst dat de voorziening betrekking heeft op de woning of het deel van de woning binnen de gemeente Midden-Groningen waar hij tijdelijk verblijft. Het college weegt daarbij af of het wenselijk danwel noodzakelijk is om de voorziening te blijven verstrekken.
Hoofdstuk 4
Artikel 10.
Hulp bij het huishouden
Onderdeel van Nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Groningen 2022