In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer;
IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige;
college: burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen;
de woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j en k Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid van de Participatiewet;
de schoolverlater: de alleenstaande die, gedurende de eerste zes maanden na beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding, voor zover voor dat onderwijs of die opleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van het vierde hoofdstuk van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, bijstand aanvraagt;
de belanghebbende: de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin; en het kind of de kinderen van de alleenstaande ouder of het gezin;
co-ouder: het door de ouders na echtscheiding voortzetten van het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun kind(eren) waarbij het kind/de kinderen ongeveer even veel tijd doorbrengen bij beide ouders;
broodnood: indien sprake is van het niet beschikken over midden om te voorzien in de meest basale boodschappen voor noodzakelijk levensonderhoud;
jong meerderjarige: jongeren van 18 tot 21 jaar;
WW: Werkloosheidswet;
toeslagpartner: partner als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
heffingskorting: de ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964, Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet financiering sociale verzekeringen in mindering te brengen bedrag op de te betalen belasting en premies volksverzekeringen;
alleenstaande ouder kop: de verhoging van het kind gebonden budget op grond van artikel 2, zesde lid van de Wet op het kind gebonden budget;
commerciële relatie: bij volledig zakelijke of commerciële relaties is sprake van deelname aan het economisch verkeer, waarbij de verhuurder een commerciële prijs vraagt voor de huur van de woning en de geleverde diensten en de huurder deze commerciële prijs betaalt. In deze situaties is het uitgangspunt dat de kosten niet op dezelfde wijze worden gedeeld als met woningdelers die geen onderlinge zakelijke relatie met elkaar hebben;
onderhuurder: de persoon die een deel van een woning huurt van iemand die de woning in zijn geheel (of een deel hiervan) huurt of in eigendom heeft.
kostganger: de persoon die tegen een financiële vergoeding een gedeelte van een woning huurt van iemand die deze woning in zijn geheel (of een deel hiervan) huurt of in eigendom heeft. De huurder of eigenaar en de kostganger vormen geen gezamenlijke huishouding of bloedverwanten in de eerste graad. Het verschil tussen huurder/onderhuurder en kostganger is dat de kostganger naast het woongenot ook de maaltijden op kosten van de verhuurder nuttigt;
woonkosten: als een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, als bedoeld in artikel 1,onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag; als een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bestaande uit de rioolrechten, het eigenaarsgedeelte van de onroerendezaakbelasting, de opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten;
woonlasten: alle andere dan onder m bedoelde kosten die verbonden zijn aan het bewonen van een woning, zoals water, energiekosten etc.;
Nibudnormen: de prijzen die staan in de meest recente Nibud Prijzengids
verzorgingsbehoevende bloedverwanten: bloedverwanten in de eerste of tweede graad die zijn aangewezen op verpleging of verzorging ter voorkoming van een opname in een verpleeg- of verzorgingshuis;
jong meerderjarigen: personen van 18 tot 21 jaar; recidive: een situatie zoals beschreven in artikel 18a, vijfde of zesde lid van de Participatiewet;
“niet gecorrigeerde beslagvrije”: de beslagvrije voet zonder de verhogingen als bedoeld in art. 475d, vierde lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
problematische schuld: direct opeisbare schulden die hoger zijn dan 36 keer de beschikbare maandelijkse beslagruimte op grond van het Wetboek van burgerlijke terugvordering exclusief de correcties in verband met hogere woonlasten en zorgpremie.
Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht. 3. De artikelen 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 36, 41 en 42 zijn niet van toepassing op de IOAW en IOAZ, voor zover hiervoor andere (wettelijke) regels gelden.
Hoofdstuk 1:
Artikel 1:
Begrippen
Onderdeel van Beleidsregel Participatiewet/IOAW/IOAZ Midden-Groningen 2022