Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.16

Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022

De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen (art. 2.3.5, zesde lid, van de wet). Er geldt één uitzondering op het mogen weigeren van een aanvraag: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a van de wet). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt geen uitzondering. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Verder zijn er een aantal wetswijzigingen in dat kader. 2.16.1 Mobiliteitshulpmiddelen Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie én die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo 2015. Dit geldt ook voor de benodigde roerende voorzieningen, zoals tilliften en hoog-laagbedden. Het college hoeft dus geen onderzoek meer te doen of de verzekerde behandeling ontvangt. Ook is per die datum artikel 2.3 van de Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. 2.16.2 Toegang Wlz verruimd Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. 2.16.3 Outillagemiddelen Wlz-instelling Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo). 2.16.4 Maatschappelijke participatie en Wlz Volgens de CRvB kunnen de Wmo 2015 en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan de Regiotaxi voor verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven. Toepassingsvoorwaarden Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. Is dat het geval, dan wordt beoordeeld of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 8.6a van de wet. Is dat niet het geval, dan doet het college onderzoek (zie hierna). Onderzoek De procedure van artikel 2.3.2 van de wet moet in zo’n situatie volledig worden doorlopen. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Daaruit dat onderzoek kan blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Denk bijvoorbeeld aan verzekerden die in een Wlz-instelling wonen en voor hun sociaal vervoer zijn aangewezen op de Regiotaxi. Bewoners Wlz-instelling Bewoners van een Wlz-instelling kunnen in aanmerking komen voor een gebruikerspas Regiotaxi. Zij zullen in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan cliënten die nog zelfstandig wonen. Soms zijn er in of in de directe omgeving van de Wlz-instelling voorzieningen aanwezig, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, of ze zijn in de directe omgeving beschikbaar. Te denken valt aan Wlz-instellingen eventueel met aanleunwoningen of verpleeghuizen. Bewoners van (intramurale) Wlz-instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereiden. Bedenk in dat kader nog dat deze bewoners ook aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie hiervoor). Bezoekbaar maken woning Het kan voorkomen dat een cliënt een Wlz-indicatie krijgt en naar een Wlz-instelling verhuist. Het kan zijn dat deze cliënt nog op bezoek wil komen in de woning waar hij voorheen woonachtig was. Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Het kan ook voorkomen de cliënt verzoekt om de eerder aan hem verstrekte hulpmiddelen niet te beëindigen. Denk aan een tillift, toiletstoel of douchestoel. Toepassing kan-bepaling Opgemerkt wordt dat de grondslag voor de beslissing op de aanvraag gebaseerd moet worden op artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet en dus gebaseerd is op de kan-bepaling van dat lid. Dat wil ook zeggen dat het college niet hoeft te beoordelen of een maatvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven (art. 2.3.5, derde lid tweede volzin, van de wet). Het gaat er om of het college in redelijkheid tot het besluit (afwijzen of toekennen) heeft kunnen komen (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel