Aanvullend op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken wanneer:
zich een omstandigheid voordoet of blijkt op grond waarvan de vergunning op grond van artikel 2:82 lid 3 zou zijn geweigerd.
het aantal onzelfstandige woonruimten en/of het aantal bewoners afwijkt van het in de vergunning vermelde aantal.
zich in de context van het kamerverhuurbedrijf, door het doen of nalaten van de vergunninghouder, de natuurlijke persoon die optreedt als directeur of feitelijke leidinggevende van de rechtspersoon, de beheerder of een persoon in dienst of in opdracht van de vergunninghouder feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar of ontoelaatbare hinder oplevert voor de huurders of omwonenden.
de vergunninghouder één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning daarvan nog geen gebruik heeft gemaakt, of de woonruimte waarvoor de vergunning is verleend langer dan één jaar niet meer in gebruik is;
Hoofdstuk 2. › Paragraaf
Artikel 2:83