Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.1

Warmtevraag

Onderdeel van Transitievisie Warmte Scherpenzeel

4.1.1Huidige situatie In Scherpenzeel zijn in totaal 4114 woningen, 125 vakantiewoningen en 595 bedrijfspanden. 6Bron: BAG en CBS (woning aantal eind 2020) Woningcorporatie Woonstede heeft een aanzienlijk deel (18%) van de woningen in de gemeente in bezit 7Bron: Rapportage woningbehoefte-analyse Scherpenzeel. Een klein deel van de woningen is in bezit van woningcorporatie Patrimonium. Het totale aardgasverbruik in Scherpenzeel in 2019 was 318 TJ 8Bron: Klimaatmonitor, 2019. Iets meer dan de helft van het gasgebruik (184 TJ) werd gebruikt in woningen, de rest (135 TJ) ging naar bedrijven en industrie. Zie Figuur 6. Figuur 6. Totaal energieverbruik in Scherpenzeel onderverdeeld in aardgasverbruik en elektriciteitsverbruik. 9Bron: Klimaatmonitor, De categorie 'overig' bestaat uit alle gebruiksfuncties die minder voorkomen én de utiliteitsobjecten die meer dan één gebruiksfunctie hebben (die anders dubbel geteld kunnen worden). De gebruiksfuncties zijn: Industrie, Winkel, Kantoor, Bijeenkomst, Gezondheidszorg, Onderwijs, Sport, Logies, Cel. Woningen Het overgrote deel van de woningen is aangesloten op het aardgasnet, hoewel er in het buitengebied ook woningen gebruik maken van een propaantank. Huishoudens verbruiken meer energie uit aardgas dan uit elektriciteit (zie Figuur 6). Het stoppen met aardgas is daarom cruciaal in de energietransitie. Huishoudens gebruiken het aardgas hoofdzakelijk voor verwarming (75%), een kleiner deel wordt gebruikt voor warm water (20%) en om te koken (5%). De mogelijkheden voor energiebesparing en voor een nieuwe warmtevoorziening, hangen sterk af van het bouwjaar en het energielabel van het gebouw. Het merendeel (36%) van de woningen in Scherpenzeel is gebouwd in de periode 1941-1974. Ongeveer 12% van de woningen zijn vooroorlogse panden. Deze laatste zijn vaak lastig te isoleren en maken het zoeken naar een warmtealternatief extra uitdagend. In Bijlage C staat een kaart met de bouwjaren. In Figuur 7 is de verdeling van energielabels van de woningen in Scherpenzeel te zien. Figuur 7. Energielabels woningen Bedrijven Bij bedrijven hangt het aardgasverbruik sterk af van het type bedrijf. Sommige bedrijven gebruiken aardgas namelijk niet alleen voor verwarming, maar ook in het bedrijfsproces. In Scherpenzeel is een aanzienlijk deel van het gasverbruik van bedrijven toe te wijzen aan de sectoren industrie, energie, afval en water, zie Figuur 6. De Transitievisie Warmte richt zich op het duurzaam verwarmen van huizen, kantoren en andere (bedrijfs)gebouwen. Een oplossing vinden voor het aardgasgebruik in industriële processen valt buiten de scope van dit stuk 10Hiervoor zijn in het klimaatakkoord aparte afspraken gemaakt aan de klimaattafel Industrie., maar voor een compleet beeld zijn de cijfers wel in beeld gebracht. 4.1.2Energiebesparing Om de CO2-uitstoot terug te dringen en woningen van het aardgas af te halen, is energiebesparing vaak de eerste en belangrijkste stap. Voor woningcorporaties en eigenaren van kantoorpanden gelden isolatie-eisen: deze panden zullen, waar nodig, in de komende jaren aangepakt worden. De verwachting is daarnaast dat in de komende decennia veel particuliere woningeigenaren met isolatie aan de slag gaan. Voor woningeigenaren zijn er verschillende redenen om energie te gaan besparen. Zo kan hiermee de energierekening aanzienlijk verlaagd worden. Daarnaast zorgt een lager energiegebruik direct voor minder CO2-uitstoot en dus minder milieu-impact. Als laatste, maar zeker niet onbelangrijk: een goed geïsoleerde woning is comfortabel en heeft een prettig binnenklimaat. De mogelijkheden voor isolatie verschillen per bouwperiode en type gebouw. Zie Figuur 8 voor een overzicht. Mogelijkheden isolatie Figuur 8. In woningen uit verschillende bouwperioden zijn de mogelijkheden om te isoleren verschillend. 4.1.3Toekomstige warmtevraag Om een inschatting te maken van de verwachte energiebesparing van woningen tot 2050 is een analyse gemaakt van de woningvoorraad in Scherpenzeel (bouwjaar, energielabel, oppervlakte van de woningen). In Tabel 2 is te zien wat landelijk gezien de verwachte energiebesparing is voor een huis uit een bepaalde bouwperiode. Dit gaat uit van de isolatie die economisch rendabel is. Huizen van voor 1920 bijvoorbeeld, zitten vaak op een energielabel G en zijn tot een energielabel C of D te isoleren. Voor de verschillende bouwperiodes gelden verschillende besparingspotenties. Tabel 1. De huidige en toekomstige warmtevraag van Scherpenzeel in terajoule (TJ). Deze warmtevraag is gemodeleerd door DWTM. 11De huidige gemodelleerde warmtevraag in Scherpenzeel wijkt relatief veel af van de gemeten waardes uit de Klimaatmonitor, waar een warmtevraag van 183 TJ wordt gegeven. Uit analyse van CBS-gegevens, blijkt dat in Scherpenzeel het gasverbruik per woning relatief hoog ligt. Dit geldt voor verschillende woningtypen (van appartementen tot vrijstaande huizen). Een gevolg van het verschil tussen de gemodelleerde en gemeten waardes, is dat mogelijk de toekomstige warmtevraag ook hoger uitpakt. Een andere mogelijkheid is dat de besparingspotentie groter is dan 21%, omdat er meer winst te behalen is. Er is gekozen om de gemodelleerde huidige warmtevraag te laten zien, omdat de toekomstige warmtevraag op dezelfde manier bepaald is. Huidige warmtevraag (TJ) Toekomstige warmtevraag (TJ) Woningen 151 120 Bedrijven 60 53 Nieuwbouw - 17 Totaal 211 190 Voor Scherpenzeel leidt dit model tot een totale besparingspotentie van circa 21% van de warmtevraag in bestaande woningen. Het besparingspotentieel van bedrijven is ca. 30% (het landelijk gemiddelde). Omdat bedrijven diverser zijn dan huizen (een kledingwinkel en opslagloods zijn heel anders qua comforteisen en bouwstijl), heeft het besparingspotentieel hiervan een grotere onzekerheid. Tot slot worden er ook woningen gebouwd, zoals in de plannen voor de Nieuwe Koepel. Het gaat om ongeveer 550 woningen. Deze woningen zijn zeer energiezuinig en worden aardgasvrij gebouwd. Wel hebben ze een warmtevraag, waar een duurzame bron voor nodig is, deze is ongeveer 17 TJ groot. De gecombineerde warmtevraag voor bedrijven en woningen in Scherpenzeel zal circa 190 TJ/jaar zijn in 2050. Dit is dan ook de warmtevraag waarvoor we passende warmtebronnen moeten gaan zoeken. Tabel 2. Voorspelde energiebesparing en verbetering van het energielabel door isolatie. We gaan uit van de isolatie die economisch rendabel is. De mogelijke besparing is berekend door (via kengetallen 12Bron: adviesbureau De WarmteTransitieMakers) de warmtevraag van het huidige en het toekomstige energielabel te vergelijken. 4.1.4Hoge, midden- of lage temperatuur Naast de vraag hoevéél warmte er nodig is per buurt of woning, is ook van belang op welke temperatuur deze warmte beschikbaar moet zijn. Dit noemen we het warmteprofiel. De temperatuur die de radiatoren of vloerverwarming (de zogeheten afgifte-temperatuur) afgeven moet passen bij de mate van isolatie van het gebouw en het type radiator. Woningen Hoe beter de woning geïsoleerd is, hoe lager de afgifte-temperatuur kan zijn (zie Tabel 2). Lagere temperatuur heeft als voordeel dat er meer duurzame warmtebronnen beschikbaar zijn, en het rendement is vaak beter. Bij woningen met energielabel G of F of bouwjaar voor 1940 kan door isolatie het energiegebruik flink verlaagd worden. Meestal is een verbetering van het energielabel mogelijk tot label C of D. Er is dan nog steeds (meestal) hoge-temperatuurverwarming nodig (>70 graden). Naoorlogse woningen (energielabel B t/m E of bouwjaar tussen 1940 en 1992) zijn in de meeste gevallen geschikt te maken voor verwarming op lage temperatuur (<55 graden). Dit vraagt wel een flinke ingreep in de woning voor extra isolatie en ventilatie. In buurten waar restwarmte beschikbaar is op midden-temperatuur (55-70 graden), kan er ook voor gekozen worden om de woningen wat minder vergaand te isoleren, zodat ze geschikt zijn voor verwarming op midden-temperatuur. Woningen met een A of B label zijn al goed geïsoleerd. Ze zijn vaak direct geschikt voor lage-temperatuurverwarming (<55 graden), of zijn dat relatief eenvoudig te maken met wat extra isolatie of aanpassing aan de radiatoren. Bedrijfspanden Voor kantoorpanden gelden vanaf 2023 strengere energie-eisen. Label C is vanaf dan minimaal vereist voor grotere kantoren (>100 m2) of kantoren met een hoog energie-/gasverbruik. Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet. De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de EU en binnen Nederland verder aangescherpt zullen worden. De verwachting is daarmee dat het merendeel van de kantoren in 2050 geschikt zal zijn voor lagere of middelhoge temperatuur warmte (zie Tabel 3). Bij andere bedrijfspanden hangt de warmtevraag sterk af van de functie van het gebouw. Zo is het vaak niet nodig om een opslagloods tot 20°C te verwarmen. Voor bedrijfspanden moet per pand gekeken worden welke warmtevoorziening volstaat. Industriepanden gebruiken soms ook warmte in processen. Hiervoor is vaak zeer hoge temperatuur warmte nodig. Deze panden zijn in de warmteprofielen (Figuur 9) niet meegenomen. Tabel 3. Voorspelde warmteprofielen bedrijven (exclusief industrie). Omdat voor kantoorpanden strengere regelgeving geldt, is de verwachting dat veel oudere kantoren grondig gerenoveerd (of nieuw gebouwd) gaan worden. Daardoor is een groot deel van de kantoorpanden in de toekomst geschikt voor lage-temperatuurverwarming. In Figuur 9 is voor clusters woningen, kantoren en overige utiliteit het warmteprofiel weergegeven: de afgifte-temperatuur die op termijn realistisch is. Op dit moment (2021) gebruiken bijna alle huizen in Scherpenzeel nog een cv-ketel met een hoge afgifte-temperatuur: bijna alle huizen zou je daarom rood kunnen in kleuren op een gemeenteplattegrond. Wanneer alle huizen de besparingsstap zetten die past bij hun huis, verbetert hun warmteprofiel. Deze verbeterde warmteprofielen zijn per cluster van huizen op de kaart gezet in Figuur 9. Overigens ligt de techniek die gekozen wordt voor de warmtevoorziening hiermee nog niet vast: voor elke temperatuurrange bestaan immers diverse oplossingen, per woning of collectief (met een warmtenet). Figuur 9. Warmteprofiel gemeente Scherpenzeel: de afgifte-temperatuur die nodig is nadat alle rendabele isolatiestappen gezet zijn. We geven clusters weer van huizen met eenzelfde warmteprofiel. Individuele huizen zijn niet in kaart gebracht. In het noordelijke en zuidelijke buitengebied van de gemeente zijn er geen clusters, daarom is in de kaart alleen het dorp weergegeven. 4.1.5Concentratie van de warmtevraag Hoe de warmtevraag over de gemeente verdeeld is, is van belang voor de mogelijke alternatieven voor aardgas. Gebieden met een geconcentreerde warmtevraag (veel panden bij elkaar of panden met een hoge warmtevraag) kunnen geschikt zijn voor de aanleg van een warmtenet. Dit is dan één van de technische oplossingen die vergeleken wordt. Bij een lage warmtedichtheid liggen individuele oplossingen (zoals een warmtepomp) of duurzaam gas meer voor de hand. Voor Scherpenzeel is de concentratie van de toekomstige warmtevraag van woningen zichtbaar gemaakt in Figuur 10. In deze kaart is in de gebieden met de donkerste tinten, vanaf 1000 gigajoule (GJ)/hectare (ha), een warmtenet kansrijk, als er een geschikte warmtebron in de buurt is. Onder de 500 GJ/ha is een warmtenet in veel gevallen financieel niet haalbaar, en zijn individuele oplossingen voordeliger. Tussen 500 en 1000 GJ/ha hangt het af van de omstandigheden, zoals het type warmtebron en de afstand tussen woningen en warmtebron. GJ/ha of gigajoule per hectare is een eenheid voor de concentratie of dichtheid van de warmtevraag. Als woningen dicht op elkaar staan of een hoge warmtevraag hebben, is deze hoger. Warmtenetten Warmtenetten (of collectieve oplossingen) bestaan uit leidingen onder de grond, die warm water transporteren van een warmtebron naar de woningen. Warmtenetten bestaan in verschillende soorten, maten en temperaturen. Er zit verschil in de temperatuur van de bron, en de temperatuur van de warmte die in de woning wordt aangeleverd. Zo kan een warmtenet op een temperatuur aangelegd worden die direct in de woning gebruikt kan worden – dat is mogelijk bij een wat hogere temperatuur van de bron. Ook kan een lage brontemperatuur in de woning of per buurt met een warmtepomp verder worden verhoogd. Waarom een warmtenet? Een deel van de beschikbare warmtebronnen is alleen in te zetten als er een warmtenet wordt aangelegd om de warmte van de bron te transporteren naar de woningen. Een voordeel van overschakelen op een warmtenet is dat het in veel gevallen een minder grote ingreep in de woning vraagt dan overschakelen op een warmtepomp. Bewoners worden dus ontzorgd. Soms is een warmtenet de goedkoopste oplossing, maar alleen als de concentratie van de warmtevraag groot genoeg is. Prijzen en regelgeving Landelijk wordt de regelgeving over warmtenetten aangepast. Er is een nieuwe warmtewet in de maak. De verwachting is dat in ieder geval wordt vastgelegd dat als er een warmtenet in de wijk aanwezig is, bewoners het recht hebben op een aansluiting, maar niet de plicht om aan te sluiten. Een bewoner houdt dus de vrijheid om zelf voor de woning een andere oplossing te kiezen, zoals een warmtepomp. In de nieuwe warmtewet zullen ook nieuwe afspraken worden gemaakt over de tarieven voor consumenten. De gemeente houdt de landelijke ontwikkelingen en nieuwe wetgeving in de gaten. Figuur 10. De verwachte toekomstige warmtedichtheid in gemeente Scherpenzeel. De warmtedichtheid is gebaseerd op de warmtevraag die over blijft na besparingsmaatregelen zoals in Tabel 2.

Rechtspraak bij dit artikel