Een voorziening in het kader van vervoer jeugdwet is mogelijk indien er sprake is
van de situaties beschreven onder B in combinatie met C, of
B in combinatie met D èn E èn F. Bij deze situatie wordt het afwegingskader uit artikel 5 toegepast.
Als er door een wettelijk verwijzer of het College het risico is gesignaleerd dat de jeugdige niet (of niet altijd) de jeugdhulp op locatie kan krijgen die hij/zij nodig heeft.
Het gaat hier om jeugdigen die niet in staat zijn zelfstandig te reizen. Er is sprake van medisch vervoer (ziekenvervoer) dat redelijkerwijs niet door ouder(s)/verzorger(s) of het netwerk kan worden geboden of waarbij ouder(s)/verzorger(s) en het netwerk niet beschikken over het benodigde vervoersmiddel, de benodigde medische apparatuur of de benodigde medische of verpleegkundige vaardigheden. Een medische noodzaak kan vastgesteld worden middels een medische verklaring van een arts, medisch specialist of door OnS Altena. De noodzaak tot medisch vervoer hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp. Het afwegingskader zoals opgenomen in artikel 5 hoeft dan niet doorlopen te worden. Het betreft hier niet jeugdigen die in aanmerking komen voor zittend ziekenvervoer, dit valt binnen de WLZ.
Beperkingen in de zelfredzaamheid die te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte, die tijdelijk of chronisch van aard kan zijn. Van ouders en jeugdigen wordt verwacht dat ze zelf en/of met behulp van hun sociale netwerk, zorg dragen voor vervoer van en naar jeugdhulp. Als ouders en/of de jeugdige niet in staat zijn het vervoer te organiseren of wel in staat zijn, maar er sprake is van boven gebruikelijke zorg kan een vervoersvoorziening toegekend worden. Leidraad bij de beoordeling is of er sprake is van boven gebruikelijke zorg. Dit is zorg die, gelet op leeftijd en ontwikkelingsniveau boven de normale, dagelijkse zorg uitgaat die van ouders en/of netwerk verwacht kan worden. Bij jeugdigen die wel zelfstandig kunnen reizen kan het in bepaalde gevallen ook gaan om boven gebruikelijke zorg. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp. Het niet kunnen betalen van vervoer kan niet worden aangemerkt als een beperking in de zelfredzaamheid.
Er is sprake van intensieve jeugdhulp, namelijk minimaal acht contactmomenten (behandeling, dagbesteding, kort verblijf of begeleiding) per maand én
De afstand voor een enkele reis naar de jeugdhulplocatie bedraagt minimaal 6 kilometer volgens de ANWB-routeplanner voor de kortste, veilige route, ongeacht het vervoersmiddel of de route die feitelijk wordt gebruikt. Indien sprake is van reizen met het OV met een begeleider dan tellen de kilometers voor een enkele reis dubbel.
Artikel 3.
Redenen voor vervoersvoorziening
Onderdeel van Beleidsregels Vervoer Jeugdhulp gemeente Altena 2022