Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 6.

Bedragen persoonsgebonden budget bij koop en huur van hulpmiddelen

Onderdeel van Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2022

Lid 1. Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel en scootmobiel omvat twee bestanddelen: een eenmalige vergoeding voor de aanschaf, inclusief standaard fabrieksopties, en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering. Het persoonsgebonden budget voor aanschaf, verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksperiode bedraagt ten hoogste: Type voorziening Bedrag Handbewogen rolstoel voor continu gebruik € 3.075 Handbewogen rolstoel voor incidenteel/kortdurend gebruik € 550 Handbewogen rolstoel voor (semi-)permanent gebruik € 1.900 Handbewogen rolstoel voor actief gebruik € 3.275 Handbewogen kinderrolstoel voor (semi-) permanent/actief gebruik € 2.675 Handbewogen kinderrolstoel voor permanent gebruik € 3.700 Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik; primair binnen, maar ook om het huis € 9.225 Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik; primair buiten, maar ook binnenshuis € 11.275 Elektrische kinderrolstoel € 12.300 Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (min. 8 km/uur) € 2.750 Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (min. 10 km/uur) € 3.475 Scootmobiel voor langere afstanden en intensief gebruik (min. 15 km/uur) € 4.300 Driewielfiets zonder motorhulp € 5.175 Driewielfiets met motorhulp € 7.200 Sportrolstoel € 3.075 Lid 2. Indien de inwoner het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een hulpmiddel ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren (voor een hulpmiddel betreft dit 7 jaar). Lid 3. De restwaarde kan worden teruggevraagd, wanneer een cliënt verhuist of overlijdt binnen de in lid 2 genoemde gebruiksjaren. De restwaarde van het hulpmiddel wordt als volgt bepaald: Bij verhuizing of overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget Eerste jaar 60% Tweede jaar 50% Derde jaar 40% Vierde jaar 30% Vijfde jaar 20% Zesde jaar 10% Zevende jaar 0%

Rechtspraak bij dit artikel